Roken tijdens zwangerschap vergroot gedragsproblemen bij kind 


Prof.dr. Hanna Swaab-Barneveld.
'Kinderen die tijdens de zwangerschap zijn blootgesteld aan nicotine, hebben ernstige moeite om hun gedrag aan te passen aan de omstandigheden als er emotie in het spel is', stelt Hanna Swaab in de oratie die ze vandaag, 4 maart, uitspreekt.

Antisociaal gedrag
Deze kinderen blijken meer antisociale gedragsproblemen te hebben in het dagelijks leven, recht evenredig met de mate waarin de moeder rookte tijdens de zwangerschap. Het zogenoemde cool executief functioneren, waarbij geen emoties betrokken zijn, is bij deze kinderen niet verstoord, het hot executief functioneren - als wel emoties in het geding zijn - wel. Binnen haar onderzoeksgroep wil Swaab de in meerdere opzichten maatschappelijk relevante relatie tussen roken tijdens de zwangerschap en het risico op antisociaal gedrag tijdens de ontwikkeling, verder bestuderen. Het is slechts een van de resultaten binnen haar onderzoeksgroep die Swaab in haar oratie Kansen van de kindertijd noemt.

Leerstoel
Prof.dr. J.T. (Hanna) Swaab-Barneveld bekleedt sinds 1 oktober 2004 de leerstoel Pedagogische wetenschappen, in het bijzonder orthopedagogiek met betrekking tot diagnostiek, in het bijzonder neuropedagogisch assessment. In haar oratie geeft ze een beknopt overzicht van de stand van zaken in haar vakgebied en de rol van haar onderzoeksgroep daarin.

Ontwikkelingsachterstand
Als een kind wordt geboren, ligt er een pakket aan verwachtingen klaar ten aanzien van de wijze waarop dat kind zich ontwikkelt. Opvoeders, ouders en leerkrachten baseren hun verwachtingen op wat zij weten van gemiddelde, niet problematische kinderen en adolescenten. Maar soms wijkt de ontwikkeling van een kind af van het gemiddelde; het is mogelijk dat zich bijvoorbeeld al op heel jonge leeftijd ontwikkelingsachterstanden in de motoriek of in de taal manifesteren.


Kinderen die tijdens de zwangerschap zijn blootgesteld aan nicotine ondervinden vaak ernstige gedragsproblemen.

Foto: Stiftung Kindergesundheit

Neuropedagogiek
De neuropedagogiek is een van de theoretische referentiekaders voor de verklaring en de aanpak van ontwikkelingsproblemen. Swaab omschrijft de neuropedagogiek als het wetenschapsdomein dat zich bezighoudt met de relatie tussen het gedrag en het functioneren van de zich ontwikkelende hersenen, en de invloed van omgevingsfactoren hierop, tijdens de kindertijd en in de adolescentie. Hierbij gaat het om hoe gedragsmogelijkheden en -beperkingen samenhangen met de al dan niet afwijkend ontwikkelde hersenfuncties en wat die samenhang betekent voor de opvoedende omgeving. Daarbij komt de bestudering van mogelijkheden tot beïnvloeding van de al dan niet verstoorde relatie tussen de hersenen en het gedrag.

Hersen-gedragmodel
Onder dit model ligt de aanname dat het gedrag van kinderen en adolescenten door de hersenen wordt aangestuurd, een veronderstelling die niemand zal bestrijden. Het hersen-gedragmodel wordt volgens Swaab dan ook steeds vaker toegepast in de klinische praktijk, zeker nu er steeds meer wetenschappelijke kennis beschikbaar komt over de hersen-gedragrelaties bij opgroeiende kinderen.

Afwijkende ontwikkeling
De groei en ontwikkeling van de hersenen zijn het resultaat van genetische programmering, maar continue interactie met de omgeving is nodig om aanpassing mogelijk te maken. De diagnosticus moet weten op welk moment in de ontwikkeling welk gedrag gemiddeld mogelijk is en wanneer er sprake is van een afwijkende ontwikkeling. Er is dus kennis nodig van de normale ontwikkeling van de hersenen, maar ook van de invloed van ziekten en aandoeningen.

Classificatiesysteem
Swaab benadrukt het belang van de individuele profielen van kinderen en adolescenten ten opzichte van de classificatie op basis van het medisch denkmodel. Dit model beoogt 'stoornissen' of 'syndromen' te onderkennen. Dit betekent dat men symptomen of gedragskenmerken in hun samenhang beschrijft. Een bekend classificatiesysteem is de DSM (Diagnostic and Statistic Manual). De beschrijving van syndromen is ontstaan op grond van consensus en de systemen beogen een hoge betrouwbaarheid.

Herkenbaarheid
Maar de classificaties zijn vaak al zo ingeburgerd dat hulpvragende ouders met schijnbaar gemak deze classificaties hanteren. Ouders vragen: heeft mijn kind misschien ADHD of PDD (de verzamelnaam voor stoornissen in het autistisch spectrum)? En niet: waarom is mijn kind op school zo afgeleid of waarom heeft mijn kind zo weinig vriendschappen? Diagnostiek met bijvoorbeeld de DSM, heeft als voordeel dat problemen op dezelfde wijze worden benoemd, wat de herkenbaarheid en communicatie erover vergemakkelijkt. Als kinderen voldoen aan de criteria maakt dat bovendien de weg vrij naar allerlei (gesubsidieerde) voorzieningen in de zorg.

Ontwikkelingsstadium
Soms echter passen de problemen niet goed bij de criteria en kan er niet worden geclassificeerd. Zo kunnen ontwikkelingsproblemen zich op verschillende leeftijden anders manifesteren, afhankelijk van het ontwikkelingsstadium en het beloop, terwijl de DSM-criteria vooral onafhankelijk van de leeftijd zijn geformuleerd, wat tot diagnostische verwarring kan leiden. Kortom, een classificatie volgens een van de systemen is belangrijk, maar vooral gericht op de kenmerken die door de groep als geheel worden gedeeld en die richting geven aan de behandeling.

Funderende wetenschappelijke kennis
Juist bij het opstellen van een theorie van het individuele geval om tot een adequaat behandelplan op maat te komen, in het bijzonder als de problematiek complex is of niet precies past bij een bepaalde categorie, kunnen de verschillende diagnostische methoden elkaar in de klinische praktijk zinvol aanvullen. Met haar groep wil Swaab graag een bijdrage leveren aan de funderende wetenschappelijke kennis.

Gericht ingrijpen
Geen enkel kind is gemiddeld, besluit Swaab haar oratie. Ieder kind heeft een eigen profiel van sterke en zwakke kanten. Het tijdig onderkennen van een afwijkende ontwikkeling en het tijdig in beeld brengen van risicofactoren en beschermende factoren creëert een kans om gericht in te grijpen en het kind waar mogelijk te beschermen tegen een ernstig ontwikkelingsbeloop.

(4 maart 2008/SH)