Aantal vrouwelijke hoogleraren stijgt langzaam

Professor Ineke Sluiter, een van de 27 vrouwen op een totaal van 194 Leidse hoogleraren. Ze spreekt hier de diesoratie uit (8 februari 2005).

Het aandeel vrouwen in wetenschappelijke functies is sinds 1990 langzaam maar zeker toegenomen. Dat laat de Monitor Vrouwelijke Hoogleraren 2006 zien.

Momenteel heeft de Universiteit Leiden percentueel de meeste vrouwelijke hoogleraren (14,1%, landelijk 9,9%).

Leiden heeft eveneens het hoogste percentage vrouwelijke universitair hoofddocenten (22,7% UHDs, landelijk 15,7%). Wat betreft de universitair docenten (32,8% UDs, landelijk 28%) laat Leiden vier universiteiten vóór zich. Drie universiteiten, tenslotte, hebben een hoger percentage vrouwelijke promovendi (Leiden 49,2%, landelijk 41,5%). Zie tabel 1.

Het landelijke percentage vrouwelijke promovendi is sinds 1999 stabiel. Het aandeel vrouwen dat doordringt tot de functies van universitair docent, universitair hoofddocent en hoogleraar stijgt. Langzaam maar zeker.

Tabel 1. Aandeel vrouwen in HGL, UHD, UD en promovendi in 2005, in %

 

HGL

UHD

UD

Prom.

LEI

14,1

22,7

32,8

49,2

UU

13,2

19,4

33,7

47,2

RUG

10,7

20,1

31,3

43,8

EUR

5,4

9,0

26,6

51,9

UM

7,0

22,3

33,6

58,2

UvA

13,4

21,7

29,3

44,4

VU

9,8

15,6

29,9

43,2

RU

14,0

18,0

20,3

44,7

UvT

6,3

14,1

33,4

53,4

TUD

4,0

6,9

17,4

23,3

TUE

1,8

3,0

13,1

25,3

UT

4,9

10,1

21,8

29,0

WU

11,6

11,7

22,1

44,5

OU

6,2

14,4

40,1

te weinig waarnemingen

Totaal

9,9%

15,7%

28,0%

41,5%

Invloed wetenschapsgebied uitgeschakeld
Van grote invloed op de percentages is het feit dat er traditioneel weinig vrouwen te vinden zijn in de sectoren natuurwetenschappen, de techniek en de economie. Om een idee te krijgen van de vrouwvriendelijkheid van de universiteiten is voor de monitor ook een berekening gemaakt waarbij de invloed van het wetenschapsgebied werd uitgeschakeld: per instelling is een verwacht aantal vrouwelijke hoogleraren berekend voor de binnen de instelling aanwezige wetenschapsgebieden. Dat is gedaan door per wetenschapsgebied het aantal vrouwelijke hoogleraren (in fte) af te zetten tegen het het landelijk gemiddelde op het betreffende gebied en de verschillen per universiteit bij elkaar op te tellen. De Leidse universiteit komt op basis van deze berekening als derde uit de bus, na de Universiteit Utrecht en de Universiteit van Amsterdam (tabel 2)

Tabel 2. Aantal vrouwelijke hoogleraren (in fte) volgens verwachting en feitelijk in 2005

 

Verwachting

Feitelijk

Verschil

LEI

24,2

27,4

+3,2

UU

32,9

38,4

+5,5

RUG

25,6

26,6

+1,0

EUR

9,5

5,3

-4,2

UM

10,0

7,3

-2,7

UvA

31,2

36,4

+5,2

VU

19,6

18,8

-0,8

RU

24,3

25,8

-1,4

UvT

11,4

7,4,

-4,0

TUD

5,7

7,5

+1,8

TUE

3,6

2,0

-1,6

UT

9,7

5,9

-3,7

WU

11,9

11,6

-0,3

OU

1,6

1,0

-0,6

Totaal

221,3

221,3

0,0

Hiaten in de cijfers
De Monitor constateert enkele hiaten in de cijfers. Er zijn met name onvoldoende gegevens over de faculteiten geneeskunde. Dit is het geval sinds het grootste gedeelte van het (wetenschappelijk) personeel is overgegaan van de universiteiten naar de universitaire ziekenhuizen. Ook ontbreken gegevens over de bijzonder hoogleraren.

Streefcijfers worden niet gehaald
Het slechte nieuws is nog steeds: hoe hoger de functie, hoe minder vrouwen. De verschillen tussen de wetenschapsgebieden zijn hierbij groot: een kleine 17% van de hoogleraren taal & cultuur is vrouw, tegenover 3% in de techniek. Als de huidige trend zich voortzet zal ons land de doelstelling van minister Maria van der Hoeven van Onderwijs,15% vrouwelijke hoogleraren in 2010, niet halen; die wordt dan pas in 2015 bereikt. De ambitie die in 2000 door de Europese ministers van Onderwijs in Lissabon werd uitgesproken 25% in 2010 is helemaal een brug te ver.

Nederland achterhoedeland
Nederland kennisland bevindt zich met nog geen 10% vrouwen in wetenschappelijke topposities in de Europese achterhoede; van 31 Europese landen doen alleen Engeland(29), België(30) en Malta(31) het slechter. Koplopers zijn Roemenië (1), Letland (2) en Turkije (3) met percentages tussen de 25 en de 30.

Glazen Plafond Index
Voor de Monitor is ook de doorstroming naar alle functies op de academische carrièreladder geanalyseerd (tabel 3). Het glazen plafond dat vrouwen in de wetenschap hindert, is er tussen alle trappen van de carrièreladder, maar vooral tussen de functies UD en UDH. De dikte van het glazen plafond wordt vastgesteld aan de hand van de Glazen Plafond Index (GPI). Die wordt berekend door het percentage vrouwen in een bepaalde functiecategorie te vergelijken met die erboven. Is dat laatste percentage lager, dan levert dat een hogere Index op. Bij een GPI van 1 zijn zijn de kansen van vrouwen en mannen gelijk. De GPI zegt niets over de doorstroomkansen binnen één instelling.

Tabel 3. Glazen Plafond Index (GPI) voor vrouwen in 2005

 

GPI

UHD/HGL

1,6

UD/UHD

1,8

Prom./UD

1,5


Ongelijke beloning
Uit de Monitor blijkt dat het ook nog flink schort aan gelijke beloning tussen mannen en vrouwen: vrouwen hebben minder vaak de hoogste salarisschaal die bij een bepaalde functie hoort dan mannen. Ook worden vrouwen vaker ingedeeld op het laagste functieniveau van de twee niveaus die elke functiecategorie (UD, UHD, hoogleraar) kent.

In concreto kan deze ongelijkheid tot een behoorlijk inkomensverschil van soms 1400 per maand leiden.

De Monitor laat enkele mogelijke oorzaken voor dit verschil de revue passeren. Bijvoorbeeld dat de vrouwelijke hoogleraren gemiddeld jonger zijn en dus minder periodieken hebben. Dit verklaart echter maar een deel. Een andere mede-oorzaak kan zijn dat meer mannen, door de langere ervaring die ze gemiddeld hebben, naar het hogere functieniveau zijn bevorderd

Deeltijd heeft geen invloed
De Monitor ontkracht de invloed van deeltijdwerk. Aan de universiteiten is de deeltijdfactor van het hogere wetenschappelijk personeelgemiddeld 0,87 fte; die van vrouwen is 0,85, die van mannen 0,88. Het verschil is dus gering. Sterker nog: de deeltijdfactor van vrouwelijke hoogleraren (0,83) is zelfs nog iets kleiner dan die van UHDs (0,87). Zie tabel 4.

Tabel 4. Deeltijdfactor
(= aantal fte/aantal personen) per functiecategorie vrouwen en mannen in 2005

 

Totaal

Mannen

Vrouwen

HGL

0,81

0,81

0,83

UHD

0,90

0,90

0,87

UD

0,86

0,88

0,81

WP

0,87

0,88

0,85

Tegen de verdrukking in
De arbeidsmarkt voor wetenschappelijke functies aan universiteiten was tussen 1998 en 2005 sterk in beweging: het aantal UDs en UHDs (in ftes) liep terug met respectievelijk 23% en 13%, het aantal hoogleraren steeg daarentegen met 10%. Ondanks de dalende trend in de aantallen UDs en UHDs, steeg het aandeel vrouwen in deze functies: het aantal vrouwelijke UDs verdubbelde, het aantal vrouwelijke UHDs steeg met 23%. Ook het aantal vrouwelijke hoogleraren verdubbelde. 
In Leiden groeide het aandeel vrouwelijke hoogleraren van 5,2% in 1997 via 11,4% in 2001 naar 14,1% ultimo 2005, en nam dus in acht jaar tijd met een factor 2,7 toe. In absolute aantallen is die groei minder spectaculair. Eind 1997 telde de universiteit 13 vrouwelijke hoogleraren (uitgedrukt in fte), vier jaar later 23 en nu 27.

Hoewel langzaam, treedt er dus wel verbetering in. Zelfs tegen de verdrukking in. 

De Monitor Vrouwelijke Hoogleraren wordt uitgegeven door Stichting de Beauvoir, in nauwe samenwerking met het EQUALproject Participatie als Prioriteit, het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren en de VSNU.

(3 oktober 2006/CH)