Universiteit Leiden
  home   contact      
 
 
 
Archief
   

Laatste nummer > Interview

Interview

'Goh, waarom hadden ze in de zeventiende eeuw geen gordijnen?'

Interview met prof. dr. Willemijn Fock, vertrekkend hoogleraar geschiedenis van de kunstnijverheid

Ze is hoogleraar in de kunstnijverheid, lid van de KNAW en schreef boeken over de Nederlandse wooncultuur en over het Rapenburg: prof. dr. Willemijn Fock. Op 14 juni geeft ze haar afscheidscollege. Een gesprek over wonen in de zeventiende en achttiende eeuw, het belang van onderzoek naar gebruiksvoorwerpen maar ook over het gebruik van internet in de wetenschap.

Door Martijn Wackers

    
Prof. dr. Willemijn Fock: 'Kunstnijverheid is eigenlijk een onderschatte tak van de kunstgeschiedenis.'

In juni geeft u uw afscheidscollege. Waar zal het over gaan?

Prof. dr. Fock: 'Ik ben nog bezig met schrijven, maar het zal gaan over de wooncultuur in Nederland in de zeventiende en achttiende eeuw, belicht vanuit de bewoner zélf. Dit onderwerp staat dicht bij mij en mijn onderzoek.'

U bent al sinds 1982 hoogleraar in de geschiedenis van de kunstnijverheid. Is deze tak van de kunstgeschiedenis niet altijd een ondergeschoven kindje geweest?

'Ik zou het eerder een onderschatte kant van de kunstgeschiedenis willen noemen. Er wordt namelijk deels een hele andere invalshoek gekozen dan bij andere takken van de kunstgeschiedenis. In de kunstnijverheid staan - al of niet dagelijkse - gebruiksvoorwerpen centraal. Dit betekent dat vooral een materiële kant onderzocht wordt, en niet alleen de esthetische kant. Daarnaast ligt de nadruk op de gebruiker, in plaats van op de maker of kunstenaar. Onder kunsthistorici roept dit vaak de vraag op of gebruiksvoorwerpen wel echt 'kunst' te noemen zijn. Soms is daar geen twijfel over mogelijk. Een zorgvuldig geweven wandtapijt met een enorme hoeveelheid aan details in de afbeelding is natuurlijk kunst, dat staat buiten kijf. Maar soms is een gebruiksvoorwerp ook gewoon functioneel, and that's it. Zeker vanaf halverwege de twintigste eeuw is het onderzoek naar kunstnijverheid zich veel meer gaan richten op alledaagse gebruiksvoorwerpen. Binnen de kunsthistorische wereld wordt daar nog wel eens met opgetrokken wenkbrauwen naar gekeken. Maar er is zich een omslag aan het voltrekken. Ook binnen het historisch onderzoek overigens: in plaats van zich te richten op koningen, veldheren en de adel, is men steeds meer het leven van de "gewone man" gaan beschrijven. In die traditie zou je het onderzoek naar kunstnijverheid ook kunnen plaatsen.'

Wat zou ik als leek absoluut moeten weten van de geschiedenis van de kunstnijverheid?

'Wat de meeste mensen als eerste zou aanspreken is wooncultuur, omdat je dat zo goed kan vertalen naar je eigen situatie. Iedereen denkt wel eens na over zijn interieur. Het grootste gedeelte van de mensen zal hun interieur zelf ingericht hebben en geen professional daarvoor ingehuurd hebben. In vorige eeuwen was dat net zo. Daarom is het zo interessant om vanuit de bewoner zelf naar interieur en wooncultuur te kijken, in plaats van je alleen te richten op de architect of maker. In mijn boek Nederlands interieur in beeld, 1600-1900 ligt de nadruk precies op die invalshoek. Het is ook mede geschreven voor "niet-vakgenoten". Op basis van je eigen kennis van interieur kun je je bij het lezen van dat boek vragen stellen als "Goh, waarom hadden ze toen nog geen gordijnen?" of "Waarom hadden ze van die grote morskleden op de vloer om de tapijten te bedekken?". Het interieur, daar lééf je in en dáár breng je de meeste tijd door. Daarom spreekt het veel mensen aan.'

Over wooncultuur gesproken: u bent ook mede-auteur geweest van Het Rapenburg, geschiedenis van een Leidse gracht.

'Inderdaad. Dat werk was eigenlijk een beetje uit de hand gelopen, want er zijn zes boeken van in totaal elf delen uitgekomen. We wilden de wooncultuur van de bewoners aan het Rapenburg namelijk zo goed mogelijk inzichtelijk maken door allerlei bronnen die we zelf hadden gebruikt ook te publiceren. Het probleem van het weergeven van een wooncultuur is het bronnenonderzoek. Er zijn wel boedelinventarissen te vinden waarin de verschillende stukken van een interieur zijn opgenomen, maar eigenlijk wil je het liefst weten waaróm mensen een bepaald meubelstuk kochten of waaróm ze juist hun huis op een bepaalde manier inrichtten. Om daar een scherper beeld van te krijgen, zul je toch documenten als privé-rekeningen, brieven of dagboekfragmenten van bewoners moeten vinden. Helaas zijn dat soort documenten in het burgerlijke Nederland vaak erg lastig te achterhalen. In Engeland bijvoorbeeld is dat makkelijker, vanwege de traditie van een meer aristocratische en elitaire cultuur, waarbij de familiearchieven bewaard bleven.'

Met uw afscheid komt ook uw leerstoel vrij. Is de toekomst daarvan al gewaarborgd?

'Er is in ieder geval een toezegging dat de leerstoel kan worden voortgezet, maar het geld dat ervoor bestemd is, wordt de komende anderhalf jaar tijdelijk voor iets anders gebruikt. Na die tijd zal er waarschijnlijk meer duidelijkheid komen over een nieuwe hoogleraar geschiedenis van de kunstnijverheid. Tot dan zullen drie binnen- en buitenlandse gastdocenten colleges geven over hun specifieke onderzoeksgebied in de kunstnijverheid.'

Waarom is de leerstoel binnen de kunsthistorische wereld zo bijzonder?

'Leiden heeft eigenlijk als enige een hoogleraar die het hele spectrum van de kunstnijverheid bestudeert. Het is een vrijwel unieke leerstoel in de wereld. Aan andere universiteiten wordt er soms wel een hoogleraar aangesteld die veel weet over één specifiek onderdeel van de kunstnijverheid, maar die leerstoelen kennen vaak geen continuïteit. Leiden is wat dat betreft voorloper in het onderzoek naar kunstnijverheid. Hier wordt het als een vanzelfsprekend onderdeel van de kunstgeschiedenis opgevat en krijgen studenten ook in hun eerste jaar al onderwijs over het onderwerp. Soms zie je dat studenten speciaal naar Leiden komen omdat ze erg geïnteresseerd zijn in kunstnijverheid, of stappen studenten over van een andere universiteit naar hier omdat ze tijdens hun eerste jaar een interesse in het onderwerp hebben ontwikkeld. Er zijn hier zo'n vijftien afstudeerders per jaar in het onderwerp kunstnijverheid, dus het is geen onbelangrijke richting binnen de opleiding.'

U hebt in uw jaren bij de universiteit heel wat lichtingen studenten en veranderingen in het onderwijs meegemaakt. Is er wat dat betreft veel veranderd, vindt u?

'Het onderwijs en het studentenleven van de tijd dat ik nog hier in Leiden studeerde en dat van nu zijn natuurlijk niet met elkaar te vergelijken. Dat kan ook niet, ik ben zelf ook veranderd in de loop der tijd. Maar wat me op het gebied van onderwijs de laatste jaren een beetje zorgen baart is de opkomst van het zoeken via internet. Begrijp me goed, internet kan een heel goed medium zijn om snel informatie op te zoeken, maar het lijkt wel alsof de huidige generatie studenten langzaam vergeet dat er ook boeken en tijdschriften bestaan. En dat is voorlopig in het wetenschappelijk onderwijs nog erg gevaarlijk, omdat nog lang niet alles online te vinden is. Juist in tijdschriften worden nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen vaak als eerste bekend gemaakt. Studenten denken vaak alles maar op internet te kunnen vinden, terwijl er nog geen goede wetenschappelijke kwaliteitscontrole van die bronnen is. Bovendien duurt het nog wel even voordat alle collecties op internet te vinden zijn. Er zijn wel initiatieven: de Biblothèque Nationale in Frankrijk heeft bijvoorbeeld haar hele collectie in laten scannen en online gezet, een enorm monnikenwerk. Helaas voor ons is dat alleen nog de collectie Franstalige werken. Ik zie de KB dat nog niet zo snel doen.'

Blijft u na uw afscheid op een of andere manier nog actief binnen de universiteit of opleiding?

'Nou, ik heb hier nog een project lopen dat nog wel een jaar of twee, drie zal duren. Daarvoor zal ik hier nog wel te vinden zijn na mijn afscheid. Daarnaast begeleid ik nog een aantal promovendi die hun onderzoek wel binnen een aantal jaar afgerond zullen hebben en zit ik ook in een aantal commissies. Maar buiten dat lijkt het me eigenlijk wel eens heerlijk om tijd te hebben voor andere dingen.'

 Afscheidscollege Prof.dr. C.W. Fock, donderdag 14 juni, 16.15 uur in de  Hooglandse kerk te Leiden.

                                    
 
   
vorige pagina top pagina