Migratie: probleem van alle tijden

Leo Lucassen en Wim Willems
Dinsdag 16 mei hielden Leo Lucassen en Wim Willems hun oraties. Samen bepalen ze de inhoud van de duoleerstoel voor sociale geschiedenis. Lucassen legt op zijn standplaats in Leiden het accent op de sociale geschiedenis in het algemeen. Willems' accent ligt op de sociale geschiedenis van Den Haag; hij heeft zijn standplaats aan de Campus. De Haagse helft van de leerstoel wordt gefinancierd door de gemeente Den Haag, Fonds 1818 en AD/Haagsche Courant. De andere helft door het Instituut voor Geschiedenis. Interessant detail bij de voorgeschiedenis is, dat Wim Deetman destijds als minister van onderwijs betrokken was bij de opheffing van de leerstoel sociale geschiedenis bij het emeritaat van Dik van Arkel in 1987, en nu als burgemeester van Den Haag bij de (her)instelling ervan.

Den Haag
Willems en Lucassen zijn al twintig jaar bevriend. Ze hebben samen onderzoek gedaan en veel gepubliceerd. Aanvankelijk op het gebied van de zigeuners en zwervende groepen, later op het gebied van de migratie en integratie. Hun gezamenlijke interesse voor het vak, die werd gewekt door het enthousiasme van Dik van Arkel, is dus verklaarbaar. Ze besloten samen te solliciteren op de leerstoel, een besluit dat goed bleek te vallen bij de sollicitatiecommissie.

De directe aanleiding voor de vestiging van de leerstoel in Den Haag was een stuk dat Wim Willems een paar jaar geleden in de Haagsche Courant schreef over zijn eigen jeugd. De Gemeente Den Haag, Fonds 1818 en AD/Haagsche Courant namen hierop het initiatief om de bestudering van de sociale geschiedenis van Den Haag een nieuwe impuls te geven. Zo kwam er er geld voor een halve leerstoel.

Vervolgens werd het Instituut voor Geschiedenis bij het initiatief betrokken. De voorzitter van het instituut, Wim van den Doel, en de toenmalige decaan van letteren, Ton van Haaften, stelden voor de leerstoel uit te breiden zodat Leiden weer een volwaardige hoogleraar voor sociale geschiedenis zou hebben.

Natievorming
Lucassen behandelt in zijn oratie de geschiedenis van de migratie vanaf de vroegmoderne periode tot heden. 'Over de spectaculaire migraties is veel bekend', vertelt hij. 'Als je aan studenten vraagt wie er tijdens de Republiek naar Nederland zijn gemigreerd, dan komen ze altijd wel met de Hugenoten, de Joden uit Spanje en Portugal en soms nog de Zuid-Nederlanders, maar daarmee houdt het wel op.' De structureel en systematisch veel grotere immigratie is nauwelijks zichtbaar. Daarbij komen niet veel mensen tegelijkertijd, maar is de toestroom gewoon onderdeel van het leven van alledag. Volgens Lucassen heeft dit gemis aan kennis enerzijds te maken met de wording van het vak geschiedenis dat sterk is geworteld in de negentiende eeuwse natievorming. De geschiedschrijving kon het idee van een homogene bevolking en een homogeen territorium helpen bevorderen. Daarin paste natuurlijk niet het idee dat mensen voortdurend migreren.

Philipp Franz von Siebold, voorbeeld van een succesvolle migrant in de negentiende eeuw. Hij kwam vanuit Duitsland naar Nederland en vervolgens verbleef hij jaren in Japan.

Ontworteling
De eersten die zich voor de migratie gingen interesseren, waren Amerikaanse sociologen in de jaren twintig en dertig. Die interesse werd later overgenomen door historici. Deze benaderden migratie nog steeds vanuit een idee van ontworteling: de grote toestroom werd gezien als een eenmalige stap. Is die eenmaal gezet en gaan de migranten zich vestigen, dan wordt het weer normaal.

Lucassen: 'Dat beeld veranderde vanaf de jaren zestig. Migratie werd meer gezien als een structureel onderdeel van de menselijke samenleving en hoeft niet per se tot ontworteling te leiden. Europa heeft zich heel lang gezien als een emigratie-, niet als immigratiecontinent. Nederland is bij uitstek een voorbeeld uit de vroegmoderne periode waarvan bekend is dat de migratiecijfers minstens zo hoog waren als tegenwoordig. In 1600 was in Leiden 55% procent van de bevolking in het buitenland geboren, en een meerderheid was Franssprekend. De Gouden Eeuw kon alleen maar de Gouden Eeuw zijn door de grote migraties.'

Het is lastig is om deze opvattingen in de mainstreamgeschiedschrijving opgenomen te krijgen, constateren Lucassen en Willems. Dat komt deels door de dominantie van de politieke geschiedenis, waarin migratie als sociaaleconomisch onderwerp minder goed past. Verder speelt ook de erfenis van de natiestaat nog een rol.

Indische repatrianten
Willems geeft in zijn oratie een meer persoonlijk gekleurd relaas. Met zijn serie Stadskind die tussen 2001 en 2004 in de Haagsche Courant verscheen, kwam een project tot levende geschiedschrijving van Den Haag op gang. Vervolgens beschrijft hij de pogingen van journalist en schrijver Tjalie Robinson, zich te verzetten tegen de assimilatie van de Indische repatrianten. Willems: 'Robinson begreep als geen ander dat identiteit en geschiedenis onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, en dat repatrianten misschien wel Nederlander waren, maar eerst en vooral Indisch.'

Willems stelt dat kleur in de koloniën een belangrijk onderscheidend kenmerk was, maar hier in Nederland langzaam aan waarde lijkt te hebben ingeboet, in tegenstelling tot Amerika. Aanvankelijk was dat onderscheid ook in Nederland heel toonaangevend. De factor kleur gaat in de jaren zestig steeds minder een rol spelen. Als de Surinamers naar Nederland komen, volgt er een revitalisering van het kleurbewustzijn. Maar dat leidt niet tot rassenrellen zoals in Engeland. Dertig jaar later hoor je niemand meer over de Surinamers.

Stigmatisering

Jan Boon, alias Tjalie Robinson en Vincent Mahieu (1911-1974), was een Indischman die al in zeer vroeg stadium onderkende dat het behoud van die eigen culturele identiteit van Indische mensen een belangrijk goed is.

Willems: 'Ik heb daar eigenlijk geen andere verklaring voor dan de theorie van Dik van Arkel. Als er een nieuwe groep in de samenleving komt, waarmee men nog meer moeite heeft dan met de voorgaande, hevelt de stigmatisering als het ware over. Hierbij speelt de factor religie een veel belangrijkere rol dan de factor kleur. Je kunt je ogen nog wel sluiten voor kleur, als migranten zich sociaaleconomische en cultureel aanpassen aan de samenleving. Maar als mensen gaan vragen om aparte bidhuizen, aparte scholen en zich uiterlijk gaan onderscheiden, ontstaat er ook een innerlijke strijd over. Die verwarring raakt verbonden met internationale vraagstukken over terrorisme en globalisering. De ouderwetse idee van een vijfde colonne die van binnenuit de samenleving wellicht overneemt. De visie vanaf de achttiende eeuw tot de Tweede Wereldoorlog op joden, kun je vrijwel klakkeloos overhevelen op de hedendaagse visie op moslims.'

 

Een voortdurende strijd: gelijke rechten voor nieuwkomers.

Politiek correct
Het vakgebied is bekend genoeg, maar Lucassen en Willems krijgen nogal eens het verwijt te horen dat ze een naïeve en te politiek correcte zienswijze hebben. Willems: 'Alles wordt tegenwoordig bekeken vanuit de identificatie van de migrant met Nederland, maar het probleem heeft veel meer te maken met structurele barrières: geen werk, drop out in het onderwijs.' Allerlei klassieke indicatoren van integratie worden heel gemakkelijk terzijde geschoven. 'Een teken van integratie is bijvoorbeeld dat mensen zich binnen vijf jaar laten naturaliseren', vertelt Willems. 'Met behoud van de oorspronkelijke nationaliteit, dat wel, maar dat doen Nederlanders in het buitenland ook. Men heeft altijd gevonden dat het een teken van integratie is als het zo snel gaat. Maar nu beweert men dat ze niet kunnen kiezen en dat ze zich niet volledig willen geven. Verdonk is daar een heel nadrukkelijke vertegenwoordigster van: ze moeten kiezen voor die ene identiteit. Terwijl het hebben van meerdere identiteiten vanouds een sociale werkelijkheid is.'

Links

(16 mei 2006/SH)