Test, test, test

Dynamisch testen

Wilma Resing: 'De dynamische test is geschikt voor kinderen met leerproblemen.'

Meer dan twee procent van de basisschoolkinderen wordt verwezen naar vormen van speciaal (basis)onderwijs. De testmethoden waarop die beslissing stoelt en waarop het diagnostisch handelen wordt afgestemd, kunnen beter, vindt Wilma Resing. In haar oratie pleit ze ervoor om voortaan niet alleen een of meer tests af te nemen, maar ook het leervermogen te meten. Op vrijdag 3 maart spreekt prof.dr. Wilma Resing haar oratie uit. Ze is hoogleraar Bevordering van de diagnostiek van intelligentie en leerpotentieel van het jonge kind in basis-, speciaal basis- en speciaal onderwijs.

Alle kinderen die in het speciaal (basis)onderwijs zitten, zijn eerst getest. Dat zijn er enkele duizenden per jaar. Het begint vaak met een leerkracht of ouder die zich afvraagt: is er iets met dit kind aan de hand? Meestal wordt dan nog een tijdje gewacht en worden extra hulpmiddelen ingezet, zoals remedial teaching en logopedie, maar voor een aantal kinderen komt dan toch het moment waarop besloten wordt: we gaan hem of haar individueel diagnostisch onderzoeken. Bijna altijd wordt er dan ook een intelligentieonderzoek verricht. Dat gebeurt door middel van een test die meet wat het kind tot op dat moment geleerd heeft. Resing: 'Maar wat je éigenlijk zou willen weten is: wat kan het leren? Hoe staat het met het leervermogen van dit kind? Heeft het aan een half woord genoeg, moet je het vaker of anders uitleggen? Ik heb een testmethode ontwikkeld waarmee je dit leervermogen, het potentieel in kaart kunt brengen.'

Test, training, test
Hoe ziet een test die leervermogen meet eruit? Er zijn diverse vormen. Resing: 'Dan moet ik eerst uitleggen hoe de gewone test werkt. Een kind dat getest wordt, krijgt een aantal opgaven voorgelegd. Het moet bijvoorbeeld steeds, via redeneren, van vier naast elkaar aangeboden plaatjes dat ene plaatje aanwijzen dat er niet bij hoort. Zulke opgaven heten redeneertaken. Het aantal goed gemaakte opgaven is een indicatie voor wat het kind op dat moment kan, hoe hoog het niveau van cognitieve vaardigheden is. Zo'n test noem ik een statische test. Een kind dat dynamisch getest wordt, maakt eerst de gewone test en krijgt vervolgens nóg twee maal een reeks opgaven. De tweede keer krijgt hij hulp, de laatste keer maakt hij de test weer alleen. Hij wordt dus in totaal niet één keer, maar drie keer onderzocht.

Voorbeeld van een redeneertaak: welk van de plaatjes hoort er niet bij?

Wat gebeurt er in je hoofd?
De hulp die bij de tweede testronde wordt aangeboden is heel precies omschreven in een door Resing ontwikkeld protocol. Resing: 'Voor die redeneertaken, die opgaven dus waarbij je moet zeggen welk plaatje er niet bij hoort, zijn door anderen prachtige procesmodellen gemaakt. Daarin wordt precies beschreven wat er in je hoofd gebeurt als je zo'n opgave maakt. Het staat overigens vast dat kinderen daarbij wat onvollediger te werk gaan dan volwassenen. Op basis dus van wat er in het hoofd van een kind gebeurt als het zo'n redeneertaak oplost, heb ik hulpstappen ontwikkeld die de tester aanbiedt, volgens het principe van 'zo weinig mogelijk hulp bieden'.'

Hulpstappen
Deze hulpstappen lopen als het goed is precies parallel aan de stappen van het oplossingsproces. Dan zegt een tester bijvoorbeeld: kijk eens goed naar de vorm van al die plaatjes, is die bij allemaal precies hetzelfde? Als het kind dan de opgave kan maken, heeft hij dus één 'interventie' nodig gehad. Dat wordt door de tester genoteerd. Lukt het na deze eerste hint niet, dan geeft de tester een volgende aanwijzing. Hij zegt dan bijvoorbeeld: ik zie iets bijzonders op dit plaatje, zie jij dat ook op die andere plaatjes? De tester houdt op een formulier bij óf het kind er in slaagt om de opgave op te lossen en hoeveel hints het daarbij nodig heeft gehad.'

Leervermogen
De testuitslag wordt gebaseerd op het aantal goed gemaakte opgaven na een 'interventie', na hulp dus, waarbij de hoeveelheid en de soort hulp die gegeven is, meetelt voor de einduitslag. Wanneer iemand met relatief weinig hulp in de tweede test voor de laatste test een veel betere score haalt dan voor de eerste test, betekent dat dat hij een groot leervermogen heeft. Omgekeerd wijst een kleine verbetering na veel hulp op een klein leervermogen. Ook het aantal hulpstappen en de aard van de benodigde hulp geeft informatie over het leervermogen.

Ongelijke kansen
Resing vindt het niet zinvol om alle kinderen die voor een bepaald doel getest moeten worden aan een dynamische test te onderwerpen. Resing: 'Daar is deze testmethode veel te kostbaar voor. Voor een grote groep kinderen is de gewone, statische test een uitstekende voorspeller voor latere prestaties of succes. Maar er zijn kinderen bij wie de cognitieve vermogens te laag gewaardeerd worden als ze met een statische test getest worden, of waarbij we twijfelen aan de uitslag. Niet ieder kind heeft in de loop van zijn ontwikkeling dezelfde kansen gehad om kennis en vaardigheden te verwerven, ook al zou het daar qua leervermogen wel toe in staat zijn geweest. Kinderen uit kansarme milieus bijvoorbeeld, of kinderen die een andere cultuur zijn grootgebracht, kinderen met geringe cognitieve ontwikkelingsmogelijkheden, kinderen die onbekend zijn met de eisen van de testsituatie, kinderen die de taal slecht spreken, kinderen met weinig zelfvertrouwen of een negatief zelfbeeld. Voor deze kinderen geldt dat ze hogere testscores behaald zouden kunnen hebben als zij in meer ideale omstandigheden hadden verkeerd. Voor hen is de dynamische test ontwikkeld.'

Arbeidsintensief onderzoek
Het ontwikkelen van de dynamische testmethode heeft Resing zeker vijf à zes jaar werk gekost. Ze promoveerde cum laude op het onderwerp. Resing: 'Het ontwikkelen en uitproberen van zo'n test was gigantisch veel werk. Ik ben heel lang bezig geweest voor ik vat begon te krijgen op wat ieder individueel kind precies doet met bepaalde soorten hulp. Een training, zo weten we nu, blijft het beste hangen als je die aanbiedt in de vorm van een combinatie van cognitieve en metacognitieve hulpstappen. Je moet dus niet meteen de oplossing geven, maar het kind stimuleren om op een bepaalde manier te denken. Pas daarna kun je vertellen hoe de taak moet worden opgelost. Dat ik er in geslaagd ben die hulpstappen parallel te laten lopen met de stappen van het oplossingsproces in je hoofd, ja, daar ben ik, ook internationaal bezien, wel een van de weinigen in, denk ik.'

Prof.dr. Wilma Resing wordt aangesteld op een nieuwe leerstoel, die gevestigd is door de Stichting OnderwijsAdvies.

Tekst van de oratie (pdf)

28 februari 2006/DH