Een hoofd vol spijkerschrift

De overgang van orale cultuur naar schriftcultuur in het oude Nabije Oosten

Nu Na Ni
We schrijven de 13e eeuw voor Christus. Plaats van handeling: Ugarit, aan de Middellandse Zeekust in het noorden van wat nu Syrië is. Maar het had ook Emar kunnen zijn, in het zuidoosten aan de Eufraat. Of het noordwestelijk gelegen Hattusha, de hoofdstad van het Hettitische Rijk. Jongetjes van een jaar of zes zitten in een klas. Ze leren schrijven op kleitabletten, in spijkerschrift.



Prof.dr. Wilfred van Soldt: 'Theorie is
in de Assyriologie nog te veel een vies woord.'

Niet 'maan roos vis' maar 'nu na ni'. Het verschil met zesjarigen van nu: deze jongetjes weten allemaal al wat ze gaan worden: schrijver. Dat was hun vader namelijk ook. Een ander verschil: ze leren niet schrijven in hun eigen taal, maar in het Babylonisch, de lingua franca van de hele regio. Van een leraar die van huis uit wéér een andere taal spreekt.

Ezels
Wilfred van Soldt, hoogleraar Assyriologie, doet onderzoek naar het schrijfonderwijs in het Oude Nabije Oosten. Hoe zat dat onderwijs in elkaar? Wie waren de leraren die het Babylonisch kwamen onderwijzen in de verre uithoeken van het Nabije Oosten? Kwamen ze op ezels, met grote pakken kleitabletten? En waarom ging men eigenlijk schrijven? Om deze vragen te kunnen beantwoorden krijgt Van Soldt binnen het 'Programmatisch Onderzoek Geesteswetenschappen' een half miljoen euro van NWO.

Studiebollen
'Ik kwam steeds schoolteksten tegen uit de dertiende en twaalfde eeuw voor Christus', vertelt Van Soldt. 'Teksten uit steden in alle uithoeken van het Nabije Oosten. Die teksten zijn gevonden in privé-archieven, niet in het paleis. Het onderwijs bestond uit twee fasen, en duurde een jaar of tien. In de eerste fase leerden de jongens het ingewikkelde spijkerschrift, met zijn 600 tekens. Het begon met simpele lijstjes met lettergrepen, later moesten ze een vijftien tabletten tellende encyclopedie met objecten afschrijven. Daarna konden ze een baan gaan zoeken als schrijver in het paleis. Alleen voor de echte studiebollen was er een tweede fase, die zowel voor student als docent vrijer was.'


Het paleis van de stad Ugarit, het huidige Ras Shamra in Syrië, met ervoor de vestingwerken van de stad. Reconstructie van het gebouw uit de 13e eeuw v.Chr. Ugarit werd in 1320 onderdeel van het Hettitische rijk, waardoor het een eigen boekhouding moest gaan bijhouden voor de betaling van tribuut (een belasting in goederen en arbeid). Tot 1320 werd in Ugarit niet of nauwelijks geschreven. Het paleis was de belangrijkste afnemer van schrijvers.

Helden
Wat Van Soldt intrigeert is dat de teksten uit de eerste fase allemaal erg op elkaar lijken, waar ze ook gevonden zijn. Het was kennelijk een standaardpakket uit Mesopotamië, waar het spijkerschrift rond 3000 voor Christus is uitgevonden. In de tweede fase van het onderwijs verschillen de teksten veel meer. Van Soldt: 'In steden in grote rijken, zoals het Hettitische Rijk, zie je heel andere teksten dan in de kleine staatjes in Syrië. In de grote rijken zie je verhalen over helden en koningen. In de kleine staatjes beschavende teksten, of wijsheidsliteratuur zoals in het Oude Testament. Wat zit daar achter? Dat willen we gaan uitzoeken. Daarom gaan we het schoolcurriculum reconstrueren.'

Opmaat
Maar die reconstructie is slechts een opmaat naar wat Van Soldt en zijn medeonderzoekers - een 'talenwondertje uit Berlijn', een 'crack uit Heidelberg' en een nog aan te stellen onderzoeksassistent - werkelijk willen gaan doen: de ontwikkeling bestuderen van een mondelinge naar een schriftelijke cultuur.

Mondeling
Was het onderwijs bijvoorbeeld mondeling, of schreven leerlingen tabletten over die de leraar had meegebracht? 'Het lijkt erop dat alles gedicteerd werd', zegt Van Soldt. 'Er zijn maar twee originelen gevonden die van elders zijn ingevoerd. Zowel de meesters als de leerlingen hadden alles in hun hoofd. Je ziet het aan het soort fouten dat gemaakt wordt. Dat zijn hoorfouten. Je schrijft in het Engels bijvoorbeeld 'two' op als de leraar 'too' zegt. Bij de reconstructie van de teksten moeten we dus vanaf het begin opletten: hebben ze de kenmerken van een mondeling overgeleverde tekst?'
 

 
Bovenkant van een kleitablet met een encyclopedische lijst met objecten. Herkomst: Syrië, waarschijnlijk Emar. Deze lijsten zijn er om uit het hoofd geleerd te worden, en passen in een orale cultuur. De gaatjes zijn luchtgaatjes voor het bakken


Reconstructie van de onderkant van hetzelfde kleitablet

Hout
'Maar je ziet het vooral aan de structuur, vervolgt Van Soldt. 'Een mondeling overgeleverde tekst heeft een structuur die maakt dat je hem gemakkelijk uit het hoofd leert. Hij zit vol met geheugensteuntjes. Spijkerschrift is vrij ingewikkeld. Het bestaat uit 600 tekens, die allemaal de klank van een lettergreep weergeven, maar ook stuk voor stuk een eigen betekenis hebben. De leerlingen maakten lijsten die gemakkelijk te onthouden waren. Ze begonnen bijvoorbeeld met alle woorden die met 'hout' begonnen. Ze kenden de talen niet waarin ze moesten leren schrijven, en schreven naast de lijst met tekens dus vaak de betekenis in de eigen taal, ook in spijkerschrift. Na verloop van tijd schreven ze die vertalingen er niet meer bij. Dan zat het in hun hoofd. We hebben ook tien tabletjes met daarop de tekens, de uitspraak en de vertaling. Van drie daarvan is het deel met uitspraak en vertaling afgebroken, waarschijnlijk om aan te geven: nu moet je het zelf maar kunnen.'

Verovering
Waarom ging men schrijven? Van Soldt: 'Voor grote rijken, zoals Egypte, Mesopotamië, en vanaf de 17e eeuw het Hettitische rijk is dat duidelijk: ze hadden een administratie nodig. De kleinere staten in Syrië hadden dat niet. Die gingen pas schrijven toen ze onderdeel werden van een groot rijk. Je ziet het heel mooi aan de stad Alalakh aan de Orontes. Daar is men twee keer gaan schrijven. Beide keren kort op een verovering door het koningshuis van Aleppo. Beide keren hield het weer op toen de noodzaak weg was.' Maar klopt dit altijd, vraagt Van Soldt zich af. 'Is er altijd een stimulans van buiten nodig? Dat wil ik gaan onderzoeken.'

Lokaal gebruik
De leukste vraag vindt hij: Wat heeft die verschriftelijking, onder invloed van incorporatie in een groot rijk, voor uitwerking gehad? 'In Ugarit', zegt Van Soldt, 'zie je het volgende: niet lang na de invoering van het spijkerschrift, waar die jongetjes dus zo op zwoegden, werd ook een veel simpeler alfabetisch schrift geïntroduceerd. Een eigen alfabet met 30 tekens, overgenomen uit Canaän, maar oorspronkelijk aan het Egyptische ontleend. De reden was vermoedelijk dat ze voor lokaal en cultisch gebruik liever in hun eigen taal schreven. Buiten Ugarit krijg je de indruk dat het schrift heeft geleid tot gebruik ervan door mensen die daar niet voor waren opgeleid. Je vindt onhandig geschreven tabletjes. De bevolking werd dus geletterd.'

Canon
Van Soldt: 'Beschikken over een schrift wil nog niet zeggen dat er een echte schriftcultúúr is. Het spijkerschrift is rond 3000 voor Christus uitgevonden in Mesopotamië. Maar het opmerkelijke is dat daar pas in de dertiende eeuw, in dezelfde tijd dus dat die jongetjes in het verre Ugarit lijstjes uit hun hoofd leerden, een volgende belangrijke stap werd gezet: het opstellen van een canon van belangrijke teksten. Dit was duidelijk een stap van een mondelinge naar een schriftelijke traditie. Van toen af aan kopieerde men teksten van geschreven originelen. Het westen is buiten die ontwikkeling gebleven. Maar het is wel interessant om te onderzoeken of die ontwikkeling ook daar gevolgen heeft gehad.'

Vies woord
Van Soldt wil zijn onderzoek uitvoeren met behulp van een theoretisch model. 'Theorie is binnen de Assyriologie nog steeds een vies woord. We zijn te veel in onszelf gekeerd. We kijken veel te weinig naar wat classici doen, mediëvisten, of antropologen. Het is verbazend om te zien hoeveel het materiaal van de mediëvisten lijkt op het onze. Maar de vragen die ze eraan stellen zijn veel beter.'

Abstract
Er is, zo vervolgt Van Soldt, een belangrijke discussie gaande over de ontwikkeling van oraliteit naar verschriftelijking. 'Aan de ene kant heb je het model van Jack Goody, dat veel furore heeft gemaakt. Een voorloper van dit model is bijvoorbeeld Milman Parry, die in de jaren dertig de orale component in het werk van Homerus aantoonde. Goody gaat nog verder, en zegt dat verschriftelijking een autonome en progressieve ontwikkeling is, die te maken heeft met de ontwikkeling van abstract denken. In een orale cultuur heb je vijgen, palmen en dennen. In een schriftelijke cultuur heb je daarnaast het begrip boom.'

Alfabetiseringsprogramma's
Maar daartegenover staat Brian Street, die oraliteit en verschriftelijking veel meer bekijkt in het licht van de lokale cultuur. Er kunnen allerlei redenen zijn om te gaan schrijven. Je moet kijken naar alle facetten van de cultuur en allerlei mogelijke factoren, zegt Street. Een overname door een grote staat, de behoefte van handelaren aan een versimpeld schrift, of de alfabetiseringsprogramma's van de UNESCO. 'Het model Street wordt veel toegepast door bijvoorbeeld classici, mediëvisten en antropologen', zegt Van Soldt. Ook wij gaan dit model gebruiken. De onderzoeksassistent die we aan ons team gaan toevoegen komt van buiten ons vakgebied, en is er om ons wegwijs te maken in de theoretische literatuur.'
 


Franse kaart van het Nabije Oosten in de 13e eeuw v. Chr. Leraren kwamen vaak uit het Rijk Mittani, waar Hurritisch werd gesproken. Mittani was zowel buffer als doorgeefluik tussen Mesopotamië en het westen. Voor de leraren was het Babylonisch dus net zo goed een tweede taal als voor hun leerlingen. Ugarit wordt op deze kaart aangeduid met de naam 'Ras Shamra'.


21 februari 2006/HP