|
 Vroegchristelijk gemeenschapsmaal met brood en vis. Fresco in de catacombe (ondergrondse begraafplaats) van ene Priscilla, een onbekende vrouw (Rome, 3e eeuw).
|
De Jonge: 'Genoeg! Er komen steeds weer nieuwe, fascinerende vragen bij. Zoals op het gebied van de zondag. Daar is nog heel veel werk te verrichten.' De bronnen uit de begintijd van het christendom zijn schaars. Het meest uitgebreide verslag over een avondmaaltijd op zondag staat te lezen bij Paulus (1 Kor.10-14). Hij gaat daar in op de problemen die zich in die eerste eeuw daarbij voordoen: dronkenschap, liederlijk gedrag en al te vrijpostige vrouwen. Paulus wil daar graag een beetje orde op zaken stellen. Er zijn trouwens ook afbeeldingen van christelijke avondmaaltijden uit de begintijd, op fresco's in catacomben, de ondergrondse christelijke begraafplaatsen (zie illustratie). |
Jodendom en christendom Het vroege christendom heeft zich ontwikkeld uit een deel van het jodendom en zet joodse tradities voort. Eerst nog binnen het jodendom, en dan, na zo'n twintig jaar, begint het christendom buiten de grenzen van het jodendom te treden. Het christendom is ontstaan uit de reactie van volgelingen op Jezus' optreden en prediking. De Jonge: 'Ze hebben van hem gedacht: hij is een door God in deze wereld gezondene die Gods nieuwe wereld onder ons komt brengen. Ik geloof niet dat alles wat zijn volgelingen over hem hebben gezegd zonder meer waar is. Maar Jezus heeft wel aanleiding gegeven tot hun hooggespannen verwachtingen. Het vroege jodendom is heel belangrijk voor het inzicht in het vroege christendom. Tot mijn onderzoeksgroep behoort gelukkig ook een fulltime judaïcus, Johannes Tromp, die hetzelfde soort werk doet als ik, maar dan speciaal op het gebied van het jodendom van 200 voor tot 200 na Christus.'
De historische Jezus Hoe is het ontstaan van het christendom te verklaren? De Jonge: 'Jezus kondigt een nieuwe wereld aan. Daar hebben de mensen in die tijd behoefte aan. Ze willen dat Jezus daar hun leidsman in wordt enzovoorts. Dat is het begin van een nieuwe, zeer succesvolle religie. Het christendom wordt in het begin van de vierde eeuw een toegestane godsdienst en vervolgens wordt het de staatsgodsdienst. In het midden van de vierde eeuw was ongeveer de helft van de mensen in het Romeinse Rijk christen. Dat zijn 30 miljoen christenen. Laten we zeggen dat er in het jaar 40 zo'n duizend christenen waren. Dat betekent dat er elk jaar 4 procent bij kwam. Wat er aan dat succes ten grondslag ligt, hoe zo'n religie ontstaat en zich ontwikkelt, vind ik buitengewoon interessant.'
Da Vinci Code: je reinste bedrog Het probleem van de historische Jezus is belangwekkend, vindt De Jonge. Hoe kijkt hij aan tegen boeken zoals De Da Vinci code van Dan Brown? 'Ik heb regelmatig moeten optreden in de media om uit te leggen wat ik daarvan vind. Het probleem van dat boek is dat veel mensen erdoor worden meegesleurd en denken dat de katholieke kerk één groot bedrog is. Maar we kunnen ook daar weer laten zien dat bijvoorbeeld het idee van een huwelijk tussen Jezus en Maria Magdalena geen enkele historische basis heeft. Het is eigenlijk je reinste bedrog. Dan Brown baseert zich op de apocriefe evangeliën, maar wat hij over de relatie tussen Jezus en Maria Magdalena zegt, staat er écht niet. Wat er wel staat is dat er een bijzondere genegenheid tussen hen bestond, maar dat was niets meer dan de sympathie tussen een leermeester en een leerling.'
Page-turner Mag dat wat Dan Brown doet? De Jonge: 'Het is gewoon fictie, een roman. Literair vind ik het niet eens zo heel bijzonder, maar het is natuurlijk wel een echte page-turner, heel spannend om te lezen. Ik vermoed overigens wel dat Brown zelf echt in zijn reconstructie gelooft. Hij heeft zich gebaseerd op bepaalde misleidende geschiedschrijving, maar hij heeft niet de wetenschappelijke achtergrond om die kritisch te kunnen beoordelen. Wetenschappelijk gezien is Browns boek totaal bedrieglijke geschiedschrijving. Zo'n priorij van Sion bijvoorbeeld, die heeft nooit bestaan.'
Hoogtepunten De Jonge is nu negentien jaar hoogleraar aan de Leidse universiteit. Wat beschouwt hij als hoogtepunten in zijn hoogleraarschap tot nu toe? 'Mijn lezingen in de plenaire zittingen van de Society of New Testament Studies, de wereldorganisatie van nieuwtestamentici, te Bazel in 1984 en te Durham in 2002. En het lustrum van de Leidse universiteit in 1975, daar heb ik ook nog heel goede herinneringen aan. Ik heb toen meegewerkt aan de prachtige eeuwfeestbundel Leiden University in the 17th Century: An Exchange of Learning. Ik was toen trouwens nog geen hoogleraar in Leiden, maar werkte als universitair docent in Amsterdam. Maar ik ben in Leiden geboren, heb er gestudeerd en ben er gepromoveerd. Dat verklaart veel natuurlijk.'
Plezier in bestuur De Jonge is vijf jaar decaan van de Leidse faculteit der Godgeleerdheid geweest, van 1994 tot 1996 en van 2002 tot 2005. De Jonge: 'Dat heb ik met heel veel plezier gedaan. Het geeft veel voldoening om leiding te geven aan de intellectuele gemeenschap die deze faculteit is en bij te dragen aan het floreren ervan. In tegenstelling tot wat sommigen daarover zeggen vind ik bestuur dan ook absoluut geen noodzakelijk kwaad!'
Toekomstplannen De Jonge wil nog veel publiceren over de geschiedenis van het vroege christendom. Daarnaast is hij gespecialiseerd in de zestiende en zeventiende eeuw. Hij wil in ieder geval nog graag een groot project waar hij al geruime tijd aan bezig is afmaken: een teksteditie met inleiding en commentaar maken van enige verweerschriften waarmee Erasmus de kritiek op zijn vertaling en interpretatie van het Nieuwe Testament heeft gepareerd. De Jonge: 'Daar heb ik erg veel zin in!'
7 februari 2006/DH |