Altijd en nooit echt geweest

Het voornemen van de Leidse universiteit om Dolf Cohen te benoemen tot hoogleraar middeleeuwse geschiedenis, werd in 1959 niet door iedereen begrepen. Cohen was na de oorlog vijftien jaar werkzaam geweest bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. 'Dit kan natuurlijk absoluut niet', riep de Nijmeegse hoogleraar R.R. Post spontaan uit.

De bundel A.E. Cohen als geschiedschrijver van zijn tijd beschrijft vooral de tijd dat Dolf Cohen bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie werkte, maar doet ook een boekje over de tijd dat Cohen in Leiden werkte.


 A.E. Cohen


Huizinga
Het was ook wat vreemd om in de functie van hoogleraar mediëvistiek iemand te benoemen die zich bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) vijftien jaar lang uitsluitend met de Tweede Wereldoorlog had beziggehouden. Maar de betere verstaander zag dat Leiden uit was op een leerling van Huizinga. Zo schreef de decaan van de Letterenfaculteit aan het College van Curatoren dat de door Huizinga ontwikkelde visie - de verbreding van de interesse naar de betekenis van de middeleeuwen als cultuurperiode - zich aan het verbreiden was. En wie die lijn volgde, realiseerde zich dat de in 1941 briljant bij Huizinga gepromoveerde Cohen de enige van diens leerlingen was die in aanmerking kwam.

Dilemma's
Cohen zelf vond overigens zelf dat zijn werk bij het RIOD de mediëvist in hem bepaald niet had uitgeschakeld, sterker nog: hij had ervan geleerd. Bijvoorbeeld door na te denken en te schrijven over het probleem van de contemporaine geschiedenis. Zijn oratie in 1960, Otto von Freising als geschiedschrijver van zijn tijd - de titel van de bundel over Cohen is hierop een variant - ging over deze thematiek. Cohen vroeg zich af of in de twaalfde eeuw de bisschop-geleerde Otto von Freising, eveneens contemporaine geschiedschrijver, dezelfde dilemma's had gekend. In zijn oratie kon hij de verschillen en overeenkomsten laten zien.

Gematigd progressief
Het lukte Cohen in vijf jaar om volledige wetenschappelijke aansluiting met de mediëvistiek te bereiken. En zijn aanpak in het onderwijs leidde tot een reeks leerlingen die carrière maakten in de museumwereld, het archiefwezen en het wetenschappelijk onderwijs.

Maar voor Cohen echt toekwam aan nieuw eigen onderzoek, waarvan hij de thema's al had vastgesteld, raakte hij betrokken bij het bestuur van de universiteit, in een roerige periode. In 1968 werd hij decaan van de Letterenfaculteit en in 1969 gingen studenten over tot gedeeltelijke bezetting van het Academiegebouw. Cohen zag de revolte van de studenten als een mengeling van verstandige emancipatiedrang en doorgeslagen radicalisme, waar passend op gereageerd diende te worden: gematigd progressief.

Universiteitsraad
Door de kalme en goed onderbouwde wijze waarop hij dit standpunt wist uit te dragen, oogstte hij brede waardering, ook buiten de eigen kring. Maar afgezien van welk standpunt dan ook kwam de Wet op de Universitaire Bestuurshervorming eraan. Die bracht erkenning voor de 'gezonde emancipatiedrang' van de studenten.
Na zijn driejarig decanaat, werd Cohen lid van de Universiteitsraad. Hij wilde bereiken dat de faculteiten een cruciale rol zouden krijgen in het universitair bestuur maar liep voortdurend vast in de cultuur van wijdlopigheid en ideologisch denken die de raad kenmerkte. Via een omweg kreeg hij toch invloed, want een jaar later droegen zijn oud-mededecanen hem voor voor het rectoraat, een full time bestuursbaan. Toen bleek ten volle dat hij zich niet alleen geroepen voelde tot besturen, hij genoot ervan.

Oog en oor
Cohen was de eerste rector in het nieuwe bestuursmodel en hij zette de functie neer zoals hij dacht dat het goed was: oor en oog zijn voor de faculteiten. Dat hij goed kon opschieten met de voorzitter van het College van Bestuur, mr. K.J. Cath, droeg hieraan bij. Cohen zelf zei over over deze periode: 'Ik streefde ernaar dat ik de decanen achter me had, dan kon ik net zo dwars liggen in het (toen nog vijfkoppige-red.) College van Bestuur als ik zelf nodig vond.'

In 1976 eindigde na vier jaar het rectoraat van Cohen. Nóg een keer de kunst van het terugkeren naar de mediëvistiek laten zien, zat er niet in. Dat zag hij zelf ook. Hij kwam opnieuw terecht in de Universiteitsraad, die hij tevergeefs tot praktischer werkzaamheid probeerde te bewegen. In 1979 ging Cohen met emeritaat.

Passie
Toen Cohen rector werd en zijn bestuurswerkzaamheden hem volledig opslokten, werd dr. H.P.H. Jansen, Gronings lector in de middeleeuwse geschiedenis, naar Leiden geroepen om het geschiedkundig team te versterken. Gaandeweg verlegde hij het accent van cultuurgeschiedenis naar de sociaal-economische en institutionele geschiedenis, en naar de Hollandse geschiedenis. Jansen zou Cohen uiteindelijk opvolgen.

De academische verdiensten van Cohen in zijn Leidse tijd, liggen vooral op het gebied van het onderwijs. Hij was weliswaar wat afstandelijk maar ook innemend, enthousiast en buitengewoon geïnteresseerd in zijn studenten. Hij kon, anders dan de ontoegankelijke Huizinga, zijn passie voor de mediëvistiek overbrengen en voort laten leven.

Verbonden met Leiden
Dolf Cohen was Leids alumnus en Leids promovendus; zijn terugkeer naar Leiden was er een naar de universiteit waar hij van hield. Maar niet alleen deze Cohen was verbonden met de Universiteit Leiden. Zoon Floris, medesamensteller van de bundel en nu hoogleraar in Groningen, is eveneens Leids alumnus. 

Op 8 december worden de eerste exemplaren van A.E. Cohen als geschiedschrijver van zijn tijd aangeboden aan prof. dr. Frits van Oostrom, prof. dr. Douwe Breimer en dr. mr. Job Cohen. Deze laatste, tweede zoon van Dolf Cohen en nu burgemeester van Amsterdam, is de derde Cohen met een Leidse connectie. Job Cohen studeerde weliswaar in Groningen maar was van 1971 tot 1981 wetenschappelijk medewerker bij het Bureau Onderzoek van Onderwijs van de Leidse universiteit. In 1981 promoveerde hij ook in Leiden.

Dolf Cohen overleed op 26 juni 2004 op 90-jarige leeftijd. Hij was mediëvist in hart en nieren maar de wetenschappelijke belofte die hij op dat gebied was, loste hij niet in.

A.E. Cohen als geschiedschrijver van zijn tijd richt zich vooral op Dolf Cohens tijd bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Lees meer. 

Tekst van een toespraak van A.E. Cohen in Leiden in 2003.

De presentatie van het de bundel vindt plaats op 8 december om 10.30 u in het Groot Auditorium van het Academiegebouw, Rapenburg 73 in Leiden.

J.C.H. Blom
D.E.H. de Boer,
H.F. Cohen,
J.F. Cohen.
A.E. Cohen als geschiedschrijver van zijn tijd.
Boom, Amsterdam, 2005
ISBN 90 8506 183 0.

(CH-6-12-05)