Gedragsstoornis: speciale of gewone school?

Nederland is in vergelijking met de Verenigde Staten, Scandinavië en Groot-Brittannië het enige land dat met duidelijke criteria aangeeft welke leerlingen in aanmerking komen voor speciale onderwijszorg in scholen voor regulier of speciaal onderwijs. Dit concluderen de Leidse onderzoekers dr. Diny van der Aalsvoort en drs. Kathalijne Eendhuizen in een onlangs verschenen rapport in opdracht van de Programmacommissie Beleidsgericht Onderzoek Primair Onderwijs van het NWO.

De onderzoekers ontdekten dat de wetgeving in de onderzochte landen op het gebied van onderwijs aan kinderen met een handicap voornamelijk uitgaat van de behoefte aan speciale onderwijszorg bij de leerlingen. Gegevens over de manier waarop de best passende zorg wordt bepaald, bleken in de wetsteksten te ontbreken.

Diny van der Aalsvoort
Diny van der Aalsvoort

Inclusief onderwijs

De nadruk in de buitenlandse wetten ligt erop dat scholen onderwijsbelemmeringen in de beschikbare onderwijsleeromgeving wegnemen voor leerlingen met een beperking. Deze kinderen worden zoveel mogelijk in het reguliere (basis- en voortgezet) onderwijs geplaatst. Dit heet inclusief onderwijs. Het effect van de wetgeving in Nederland is dat de nadruk minder ligt op het streven naar het opvangen van zoveel mogelijk leerlingen in het reguliere onderwijs. Minister Van der Hoeven heeft in Nederland voor de verschillende vormen van speciaal onderwijs drie criteria geformuleerd om een indicatie te kunnen stellen: stoornis, onderwijsbelemmering en ontoereikendheid van reguliere zorgstructuur. Om toegang te krijgen tot het speciaal onderwijs of tot een zogeheten rugzak (leerlinggebonden financiering) in het regulier onderwijs is een indicatie nodig op basis van deze criteria. In Nederland kunnen ouders er zelf voor kiezen of hun kinderen naar een reguliere dan wel speciale school gaan.

Clusters

Onderwijsbeperkingen zijn in deze regeling verdeeld in vier clusters voor:

1.      visueel gehandicapten en blinde kinderen;

2.      dove en slechthorende kinderen en kinderen met ernstige taal of spraakmoeilijkheden;

3.      meervoudig gehandicapte kinderen, langdurig zieke kinderen, lichamelijk gehandicapte kinderen en verstandelijk gehandicapte kinderen;

4.      kinderen met gedragsstoornissen, ontwikkelingsstoornissen en psychiatrische problematiek.

Naar aanleiding van de resultaten uit hun literatuurstudie doen de Leidse onderzoekers in het rapport aanbevelingen voor vier verschillende praktijkonderzoeken om te bezien hoe indicatiestelling functioneel te maken is. Het eerste is gericht op verfijning van de bestaande criteria voor indicatiestelling. De andere drie studies bieden inzicht in de meest effectieve aanpak in de onderwijsleeromgeving op reguliere scholen voor basis of voortgezet onderwijs om een leerling met een stoornis optimaal te laten functioneren.

(6 september 2005)