Lijken ontleden in 17e-eeuws Leiden
Een demonstratie bijwonen in het Leids anatomisch theater deed je om kennis te vergaren over de kroon op de schepping, en daarmee over de Schepper zelf. Voor wetenschap was er het Caecilia Gasthuis. Op donderdag 8 mei promoveert Tim Huisman op het theater en de Leidse zeventiende-eeuwse anatomie.
![]() Theatrum Anatomicum gegraveerd door Willem van Swanenburg in 1610, naar Johannes Woudanus (collectie Museum Boerhaave). In Museum Boerhaave, gevestigd in het oude Caecilia Gasthuis, staat een reconstructie van het anatomisch theater. 'Die is behoorlijk betrouwbaar', aldus Huisman. 'Hij is gebaseerd op prenten, maar ook op de bestellijst van hout bij de timmerman.' |
Eerste permanente theater
In 1594 opende de Leidse universiteit een anatomisch theater, in de kapel van de Faliedebagijnkerk aan het Rapenburg. De kerk is nog goed herkenbaar aan de buitenzijde van een vleugel van het huidige bestuursgebouw van de universiteit. Dit eerste permanente anatomische theater ten noorden van de Alpen was, tot het in 1821 werd afgebroken, een belangrijke toeristische attractie in Europa. Maar de echte wetenschap vond elders plaats, zegt Tim Huisman.
Huisman schreef een geschiedenis van het theater en van de Leidse anatomische praktijken in de zeventiende eeuw. Hij is kunsthistoricus, en werkt als wetenschappelijk medewerker bij Museum Boerhaave in Leiden.
Geen volksvermaak
Een demonstratie in het anatomisch theater door de hoogleraar was een belangrijke gebeurtenis, die aangekondigd werd op aanpla
Kroon op de schepping
Met wetenschappelijk onderzoek had zo'n demonstratie echter weinig te maken, weet Huisman. 'Mijn visie is dat het anatomisch theater een product is van het humanisme van de zestiende eeuw. Het ging de hoogleraren om veel meer dan de anatomie. De mens was de kroon op de schepping. Kennis van de menselijke anatomie moest leiden tot kennis over de Schepper van al dat fraais, en over de plaats van de mens in de natuur. Petrus Paaw, de bedenker van het theater, was niet alleen professor in de geneeskunde, maar verkeerde ook in intellectuele, humanistische kringen. Zijn opvolger Heurnius liet het snijwerk zelfs bij voorkeur aan een ander over. Hij was vooral geïnteresseerd in het achterhalen van de "oerkennis" die God aan Adam had gegeven, en die wellicht nog deels terug te vinden was bij de oude Egyptenaren.'
Memento mori
Van de demonstraties in het theater zijn geen aantekeningen van studenten bewaard gebleven, wat een verdere aanwijzing is dat het niet om wetenschappelijk onderwijs ging. Huisman: 'Wel weten we dat de professor, voordat hij met zijn demonstratie begon, een uitgebreide inleiding gaf, die waarschijnlijk bespiegelend van aard was. Ook aan de manier waarop de skeletten in het theater opgesteld stonden, en aan de vlaggetjes in hun handen met teksten over 'vanitas' en 'memento mori' erop, kunnen we zien dat het vooral om een levensbeschouwelijke manier van kijken ging.'
Besloten sessies
Het wetenschappelijke onderzoek en het snijzaalonderwijs aan studenten vond dan ook niet in het anatomisch theater plaats, maar in besloten sessies ván medici vóór medici. Professoren en hun studenten konden hiervoor vanaf 1638 terecht in het Caecilia Gasthuis, het achterste gedeelte van het huidige Museum Boerhaave. In dat jaar werd daar een speciale medische kliniek geopend met twaalf bedden waarin interessante gevallen lagen. Als een patiënt overleed, en de familie het lijk niet kwam opeisen, werd obductie gedaan. Dat kwam vrij veel voor, vertelt Huisman, want een derde van de Leidse inwoners kwam uit het buitenland dus de familie zat ver weg, en de kliniek stond er bovendien om bekend dat je er zieker uit kwam dan je erin ging. De patienten waren arm; wie het enigszins kon betalen werd thuis verpleegd.
Sylvius
Tim Huisman: 'Eind zeventiende eeuw waren er drie plaatsen in Leiden waar lijken werden ontleed.'
De medici keken naar sporen van het ziekteproces, maar ook naar aspecten die helemaal niets met de ziekte te maken hadden. De beroemde Sylvius trok hiermee in de jaren '60 van de zeventiende eeuw veel studenten. Hij was vooral geïnteresseerd in fysiologische processen. Vaak liet hij de lichamen voor hen liggen als hij ermee klaar was. Dan konden ze zelf onderzoek doen. Huisman: 'Voor het soort onderzoek dat Sylvius deed was een theater helemaal niet geschikt. Die processen kun je helemaal niet laten zien in een theater, daar moet je met je neus bovenop zitten.'
Twee lijken per jaar
In het Caecilia Gasthuis werden veel meer lijken ontleed dan in het anatomisch theater. Overheden waren helemaal niet zo bereidwillig om lijken van misdadigers af te staan aan de Leidse universiteit. Per jaar lagen er meestal niet meer dan twee op de snijtafel.
Chirurgijnsgilde
Wie wel van het anatomisch theater gebruik maakten voor hun dagelijks werk waren de chirurgijns van het Leidse chirurgijngilde, totdat zij in 1669 door het stadsbestuur een eigen ruimte kregen toegewezen. Huisman: 'Toen waren er dus drie plaatsen in Leiden waar lijken werden ontleed.'
Ruzie met de professor
Vanaf die tijd was het theater vooral het domein van de anatomieknecht, die het samen met vrouw en kinderen als toeristische attractie exploiteerde. Vanaf 1670 liet de anatomieknecht een catalogus drukken in vier talen. Als er een keer een demonstratie was kon hij geen toeristen rondleiden. Huisman: 'Dan maakte hij ruzie met de professor, omdat hij gecompenseerd wilde worden voor zijn inkomstenderving.'
Tuinknecht
Deze anatomieknecht was vaak tevens de tuinknecht van de Hortus. In de winter had hij daar niet veel te doen, terwijl het ontleden van lijken vooral 's winters plaatsvond. Samen met een paar studenten haalde hij de lijken op, meestal uit andere steden, en deed alle praktische klussen: zorgen voor schone lakens, voor reukkaarsen, en voor het opruimen van de rommel. 'Het was veel werk, en niet erg geliefd, want alle inkomsten van een demonstratie gingen naar de professor.'
Alibi
In 1821 is het anatomisch theater afgebroken, maar toen was het eigenlijk al obsoleet geworden. Tussen 1710 en 1760 gebeurde er afgezien van de toeristische rondleidingen eigenlijk niets. Huisman: 'Het paste niet meer in de tijd. Het levensbeschouwelijke alibi om je te vergapen aan anatomische demonstraties werd in de achttiende eeuw ook een beetje raar gevonden. Maar de verzameling bleef wel belangrijk. En wat je in die tijd ook ziet ontstaan is het anatomisch museum, met al die potjes met preparaten.'
Tim Huisman, The finger of God. Anatomical Practice in 17th-Century
Promotie Universiteit Leiden
Donderdag 8 mei 2008
Promotor: prof.dr. Harm Beukers
Een handelseditie verschijnt oktober bij Primavera Pers in Leiden.
Link
Museum Boerhaave
(6 mei 2008/HP)

