'School mag zich bemoeien met gezin'

'We moeten af van het Nederlandse taboe dat de school zich niet mag bemoeien met wat er in het gezin gebeurt.' Prof.dr. Evert Scholte, hoogleraar orthopedagogiek, pleit juist voor een betere samenwerking tussen de jeugdzorg, die zich met het gezin bemoeit, en het speciaal onderwijs. Hun aanpak zou bovendien, meer dan nu het geval is, op wetenschappelijke leest geschoeid moeten zijn. Op 9 mei houdt Scholte zijn oratie.


Prof.dr. Evert Scholte: 'Te vaak wordt over behandelingen geroepen dat ze effectief zijn, terwijl er niet of nauwelijks onderzoek naar is gedaan.'

Integratie
De leerstoel orthopedagogiek, die Scholte sinds 1 juni 2007 bekleedt, is ingesteld door de Stichting Horizon. Deze stichting biedt in Zuid-Holland begeleiding, behandeling en speciaal onderwijs aan jeugdigen die ernstige problemen hebben op meerdere gebieden, zowel thuis als op school. Kenmerkend voor de aanpak van de stichting is de integratie van zorg en onderwijs.

Afstemming
Die integratie is geen vanzelfsprekendheid, maakt Scholte duidelijk. 'Jeugdzorg en speciaal onderwijs werken regelmatig langs elkaar heen,' zegt hij. 'Dat is ook niet verwonderlijk, want jeugdzorg en speciaal onderwijs kennen verschillende historische wortels en hebben verschillende kerntaken. De jeugdzorg richt zich van oudsher op sociale opvoedingsproblemen, terwijl het speciaal onderwijs vooral oog heeft voor de cognitieve ontwikkeling van kinderen en de fysieke en psychische stoornissen die deze ontwikkeling kunnen belemmeren. Aan afstemming tussen de twee ontbreekt het in veel gevallen.'


Jeugdzorg en speciaal onderwijs hanteren vaak verschillende criteria bij het diagnosticeren van de problemen van kinderen.
Diagnosticering
Dat gebrek aan afstemming is al zichtbaar bij het diagnosticeren van de problemen van kinderen. 'Bij een kind dat in de ogen van de school lijdt aan een kinderpsychiatrische stoornis, zoals Attention Deficit Hyperactivity Disorder (ADHD), kan de jeugdzorg juist sociale gedrags- en opvoedingsproblemen waarnemen,' zegt Scholte. 'Het ontbreekt vaak nog aan eensluidende criteria die een gezamenlijke definitie en aanpak van de problemen mogelijk maken.'

Escalatie
Hoe belangrijk een gezamenlijke aanpak van school en jeugdzorg is, illustreert Scholte aan de hand van een praktijkvoorbeeld. Het slachtoffer: een kind met ADHD dat opgroeit in een zwak sociaal milieu. Zijn depressieve moeder en diens vriend vinden het kind zo druk en lastig, dat de vriend klappen begint uit te delen. Wanneer het kind met blauwe plekken op school verschijnt, schakelt de school direct de Raad voor de Kinderbescherming in. Gevolg: de vriend van de moeder dreigt het kind van school te halen. 'De school had er in dit geval verstandig aan gedaan om eerst beter naar de thuisomstandigheden te kijken,' zegt Scholte. 'Met gerichte inzet van de opvoedingshulp van de jeugdzorg had verdere escalatie waarschijnlijk voorkomen kunnen worden.'

Gesloten deuren
Scholen voor speciaal onderwijs moeten hun blik dus verbreden en afstemming zoeken met jeugdzorginstellingen. 'Opvoeding binnen het gezin zou niet volledig achter gesloten deuren moeten plaatsvinden,' stelt Scholte. In omgekeerde richting zou de jeugdzorg beter moeten aansluiten bij de aanpak die door de school gevolgd wordt. Wetenschappelijk onderzoek staat Scholte hierin bij. 'Het is aangetoond dat begeleiding van kinderen met autisme en ADHD effectiever is wanneer de aanpak van de school wordt doorgetrokken in de thuissituatie. Als bijvoorbeeld het concretiseren en herhalen van opdrachten effectief blijkt in de klas, dan kan die methode ook thuis toegepast worden.'

Wetenschappelijk fundament
Het wetenschappelijke fundament van zijn uitspraken is voor Scholte cruciaal. Dat wetenschappelijke fundament is precies wat hij mist in de praktijk van de jeugdzorg en het speciale onderwijs. 'Hoe weten we eigenlijk dat professionele hulp echt helpt? Te vaak wordt over behandelingen geroepen dat ze effectief zijn, terwijl er niet of nauwelijks onderzoek naar is gedaan.' Scholte wil dat hier verandering in komt. 'Scholen en zorginstellingen kunnen hun doelstellingen niet realiseren met goede bedoelingen alleen. Daar hebben ze ook wetenschappelijke kennis en kunde bij nodig.'


'Scholen voor speciaal onderwijs en jeugdzorginstellingen zouden systematisch onderzoek moeten doen naar de effectiviteit van hun begeleidings- en behandelmethoden.'

Importbehandelingen
De overheid lijkt dezelfde mening toegedaan, want zij stelt steeds strengere eisen aan behandelprogramma's. Die moeten tegenwoordig 'bewezen effectief' zijn. Het probleem is echter dat dergelijk bewijs binnen Nederland nog nauwelijks voorhanden is. Dus richt de overheid haar blik op Engelse en Amerikaanse behandelmethoden, waarvan de effectiviteit wél wetenschappelijk is aangetoond. Scholte betreurt deze ruime import van buitenlandse gedrags- en gezinstherapieën. 'Ten eerste kosten ze veel geld,' zegt hij. 'Maar een nog belangrijker bezwaar is dat in het buitenland, zeker in de VS, andere zorgsystemen en andere maatschappelijke omstandigheden gelden. Het is daarom nog maar de vraag of een interventie waarvan elders de effectiviteit is aangetoond, in Nederland even effectief is.'

Blauwdruk
Er is dus een duidelijke roep om meer onderzoek naar de effectiviteit van behandelingen. 'Het is aan de wetenschap om met theoretische blauwdrukken voor effectieve behandelingen te komen,' zegt Scholte. 'Maar een blauwdruk alleen, of die nu geïmporteerd is of niet, vormt nog geen garantie voor een effectieve behandeling,' voegt hij daar aan toe.

Follow-up onderzoek
Een voorbeeld van zo'n theoretische blauwdruk is het belonen van gewenst gedrag en het (niet-fysiek) bestraffen van ongewenst gedrag. Het is een methode waarvan de effectiviteit in wetenschappelijke studies keer op keer is aangetoond, maar in een aantal residentiële instellingen bleef de verwachte gedragsverbetering uit. 'De straf- en beloningsprincipes werden niet door elke instelling consequent toegepast,' geeft Scholte als een van de mogelijke verklaringen voor de onderzoeksresultaten. Het onderstreept in zijn ogen hoe belangrijk het is dat zorg- en onderwijsinstellingen, na het overnemen van wetenschappelijke getoetste en geaccepteerde behandelprincipes, kritisch onderzoeken of zij met hun specifieke toepassing van die principes daadwerkelijk het beoogde effect bereiken. 'Daarvoor dient door instellingen systematisch follow-up onderzoek te worden gedaan,' vindt hij.

Kansen bieden
Te weten komen welke behandeling wel werkt en welke niet: het is voor Scholte niet enkel een wetenschappelijke ambitie. In zijn oratie klinkt tevens een maatschappelijke ambitie door. 'Kinderen en adolescenten moeten de kans krijgen om hun talenten te leren benutten, ook als hun gedrag of ontwikkeling verstoord is. Een adolescent met ADHD moet passende begeleiding krijgen, een kind met autisme moet goed leren communiceren. Kinderen en hun ouders moeten een beroep kunnen doen op professionele hulpverlening en die hulpverlening kan niet zonder wetenschappelijke inzichten en methoden.'

(6 mei 2008/Tristan Lavender)