Prehistorische paardenslagers


Jagers maken hun speren klaar voor de jacht. De tekening is in 1963 gemaakt door Zdenek Burian, een bekende tekenaar van prehistorische taferelen. Hij ging ervan uit dat de fragmenten van houten speren die gevonden zijn in Clacton (Groot-Brittannië) en Lehringen (D), onderdelen van jachtsperen waren. Deze opvatting is de laatste jaren sterk in twijfel getrokken door archeologen die in de speren sneeuwprikkers zagen waarmee naar dierkarkassen onder de sneeuw werd gezocht. Nu Voormolen heeft vastgesteld dat er wel degelijk gejaagd werd met speren, wordt Burians tekening opnieuw actueel.
Archeoloog Boudewijn Voormolen onderzocht paardenbotten van minimaal 300.000 jaar oud. Hij concludeert dat onze voorouders geen aaseters maar jagers waren. Waarschijnlijk gebruikten ze taal bij het jagen. Hij beslecht daarmee een oud archeologisch debat. Promotie woensdag 19 maart.

Al heel lang discussiëren archeologen over de vraag of de mensen die in de vroege steentijd (de periode tot 300.000 jaar geleden) in Noordwest-Europa leefden, jagers of aaseters waren. Dat is een belangrijke vraag, want als kan worden vastgesteld dat het jagers waren, betekent dat dat onze verre voorouders cognitief en sociaal al behoorlijk ontwikkeld waren. Je kunt niet succesvol op groot wild jagen zonder te communiceren en samen te werken. Waarschijnlijk werd daar taal bij gebruikt: ‘zorg jij dat de hengst deze kant uit komt!’ of ‘pak jij hem van deze kant, dan pak ik de andere kant!’. Boudewijn Voormolen maakte door zijn analyse van het archeologisch materiaal bij de vindplaats Schöningen in Nedersaksen (Duitsland) aannemelijk dat de prehistorische Noordwest-Europeanen inderdaad jagers zijn geweest.


Op de foto van het omslag zijn op een borstwervel van een geslacht paard zowel snijsporen van stenen werktuigen als tandkrassen van roofdieren zichtbaar. De tandkrassen, de brede lichte banen, oversnijden duidelijk de snijsporen, de smalle witte krassen. Dit is een bewijs dat roofdieren het hier moesten doen met de overblijfselen van menselijke paardenslacht
Prehistorisch Pompeii
De vindplaats Schöningen (in Nedersaksen, Duitsland) bleek de ideale plaats om het jagers-versus-aaseters-debat definitief te beslechten. Schöningen is daarmee een soort prehistorisch Pompeii. Daar bevinden zich de archeologische resten van een jagerskampje van 350.000 jaar oud, gelegen aan de oever van een meer. Voormolen heeft als eerste de botresten uit dat jagerskamp geanalyseerd. Deze zijn zo goed bewaard gebleven dat de Leidse archeoloog de daarop aanwezige slachtsporen nauwkeurig kon onderzoeken. Hij concludeert in zijn proefschrift dat de vindplaats Schöningen een jacht- en slachtplaats uit de vroege steentijd moet zijn geweest.

Levensgevaarlijk
Op de slachtplaats zijn de resten van minstens negentien paarden gevonden, waaronder twee of drie veulens. Waarschijnlijk hebben jagers een groep paarden die aan de waterkant stonden te drinken ingesloten en met speren gedood. Er was heel wat voor nodig om zo'n kudde te bejagen en te doden, want wilde paarden in groepsverband kunnen levensgevaarlijk zijn vanwege hun snelheid en kracht. Zo’n kudde succesvol bejagen lukt alleen met een groep mensen die konden organiseren en overleggen. Het kan niet anders of daar is taal bij gebruikt.


Door experimenteel paardenbotten kapot te slaan om het beenmerg te kunnen verwijderen, wordt duidelijk hoe de slaglittekens op de gebroken stukken bot er uiteindelijk uit komen te zien.

Foto: Boudewijn Voormolen.

Voedzaam beenmerg
Na de jacht hebben de oermensen de kadavers vakkundig ontbeend en alles wat bruikbaar was opgegeten of meegenomen. Niet alleen het vlees en de huiden, maar ook de pezen en het beenmerg. Voormolen vond verschillende soorten slachtsporen. De korte scherpe snijsporen aan de uiteinden van een bot duiden op het uit elkaar trekken van de gewrichten. Dat de bouten gefileerd werden, blijkt uit de lange snijsporen op de schachten van lange beenderen. Bovendien waren schraapsporen te zien op de botten die het zeer voedzame beenmerg bevatten. Het ziet er naar uit dat de jagers vooral het vlees van de poten opaten, op de rompen vond Voormolen nauwelijks slachtsporen. Die bouten leverden blijkbaar al zo veel vlees, pezen en merg op, dat ze diverse rompen hebben laten liggen.

Geen sneeuwprikkers, maar jachtsperen
Spectaculair was verder de vondst van acht goed geconserveerde houten speren. Deze bleken zeer geavanceerd te zijn; ze lijken op de werpsperen die tegenwoordig in de atletiek gebruikt worden. Er zijn maar twee andere vindplaatsen in Europa, Clacton (Groot-Brittannië) en Lehringen (Duitsland), waar ook hout van speren is gevonden. Dat waren echter fragmenten, en geen complete speren zoals in Schöningen. Met name veel Britse en Amerikaanse archeologen zijn van mening dat de mensen die deze speren gebruikten, aaseters waren. Zij gaan ervan uit dat de speren gebruikt werden als een soort sneeuwprikkers, waarmee gezocht werd naar dierkarkassen onder de sneeuw. Voormolen daarentegen beschouwt de speren als jachtsperen. Het bewijs voor die stelling wordt geleverd door zijn analyse van de botresten bij Schöningen.

Proefschrift: Boudewijn Voormolen, Ancient hunters, modern butchers. Schöningen 13ll -4, a kill-butchery site dating from the northwest European Lower Palaeolithic.
ISBN 978-90-9022830-3.
Uitgegeven in eigen beheer.
Verkrijgbaar via: info@openbaarerfgoed.nl (prijs: € 27,50 excl. verzendkosten)

Promotoren: Prof.dr. W. Roebroeks en prof.dr. Th. van Kolfschoten.
Promotie: woensdag 19 maart 15.00 uur

Link
Meer over het opgravingsproject bij Schöningen

(18 maart 2008/DH)