Van zinnebeelden en fabels
Beeld en tekst waren al in het oude Japan innig met elkaar verstrengeld. 'Volgens sommigen zijn de 18e-eeuwse kibyōshi 'boeken met gele kaft' al de voorloper van de populaire manga-strips', vertelt prof.dr. Ivo Smits. Vrijdag 14 maart houdt hij zijn oratie met de titel: Niet gezien.
Dichterlijke verbeelding

Prof.dr. Ivo Smits: 'De wijze van lezen in het oude Japan was veel meer gekoppeld aan kijken dan we soms beseffen.'
Smits onderzoekt de dichterlijke verbeelding aan de hand van vroegmiddeleeuwse tuin- en kamerschermpoëzie, en aan de manier waarop in Japan Westerse embleemboeken werden geïnterpreteerd. Hij promoveerde in 1994 op het proefschrift The Pursuit of Loneliness: Chinese and Japanese Nature Poetry in Medieval Japan, ca 1050-1150. Sinds 1 februari 2007 is hij hoogleraar Letteren en culturen van Japan.
Sinnebeeru
Het embleem kent een vaste structuur: een plaatje met een gedicht en een zinspreuk of motto. 'De Japanners kenden het uit het Nederlands geleende woord sinnebeeru, van zinnebeeld', zegt Smits. 'Het was hen wel duidelijk dat het plaatje een of andere symbolische betekenis had, maar hoe ze het precies begrepen is nog niet helemaal duidelijk.' Shiba Kōkan (1747-1818) is een kunstenaar en geleerde die zich onder andere bezighield met emblemata en fabels. Hij was een zogenoemde rangakusha of 'Hollandoloog' en heeft de koperets in Japan geïntroduceerd. Smits: 'Hij is een van de meest tot de verbeelding sprekende voorbeelden van hoe Nederland een inspiratiebron vormde voor Japan. Hij heeft essays geschreven over de Westerse symboliek, en bewerkingen gemaakt van de fabels van Aesopus.'
| Japans-Nederlandse betrekkingen Van 1640 tot 1868 was Japan afgesloten voor contact met de buitenwereld. Eén uitzondering werd gemaakt: in Nagasaki hadden alleen de Chinezen en de Nederlanders een kleine handelspost. De Nederlandse post was gevestigd op het kunstmatige eilandje Deshima. De Nederlanders mochten het eilandje alleen bij bijzondere gelegenheden verlaten en alleen onder strenge bewaking. Deshima vormde voor de Japanners een venster op de Westerse wereld. Die wereld konden ze alleen leren kennen door Nederlands te leren en Nederlandse boeken te lezen. De geleerden die zich daarmee bezighielden heetten rangakusha of 'Hollandoloog'. De kennis die ze vergaarden, varieerde van geneeskunde tot schilderkunst en van ballistiek tot botanie. |
Opperhoofd
Smits geeft een mooi voorbeeld. 'Bij de begrafenis in 1778 van Hendrik Duurkoop, het opperhoofd (de officiële titel van de leider van de Nederlandse handelsmissie), zijn de Japanners hevig verbaasd over de afbeelding van een zandloper met vleugeltjes op de grafsteen. Wat betekent die en waarom staat hij erop? Men kende wel algemene associatiecategorieën. Zo staat bijvoorbeeld de wilg voor herfst, het eind van een cyclus, een afsluiting, maar er was geen specifieke één-op-één-relatie zoals in een metafoor. Ik denk dat Shiba Kōkans boek met een reeks van geïllustreerde fabels een poging is om het begrip van de zinnebeelden in de embleemboeken te benaderen. Juist in de tijd dat hij zijn fabels maakt, schrijft hij ook over zinnebeelden. In zijn fabels past hij ook een driedeling toe die doet denken aan die van de emblemen. Hij stelt dat zinnebeelden een manier zijn om veel betekenis te geven en hij maakt duidelijk dat het gaat om de combinatie van beeld en tekst.'
Verbeelding als cultureel product

Japanse bewerking door Shiba Kōkan van de fabel van de vos en de ooievaar (1814).
Ook in een ander, veel uitgebreider project komt Smits' interesse voor de verbeelding als cultureel product tot uiting. Smits: 'Ik vat dit samen onder de noemer dichterlijke verbeelding.' In de klassieke tuin- en kamerschermpoëzie vormen gedichten waarbij de dichter zich voorstelt dat hij ergens anders is, het startpunt. De dichter identificeert zich met een figuur in de schildering op een kamerscherm en het personage dat het gedicht uitspreekt is het geschilderde figuurtje. Zo is het ook bij tuinen. De tuin beeldt een landschap uit en de dichter waant zich in dat landschap. 'In diezelfde tijd komt het niet voor dat schrijvers zich zittend aan hun bureau identificeren met een personage ergens anders en een gedicht schrijven', zegt Smits. 'De vraag is waarom dat zo is. Blijkbaar hadden ze een visuele stimulus nodig; ze moesten een soort toneelset creëren. Ik denk dat dat een ingang is om de dichterlijke verbeelding van het oude Japan te begrijpen. En dat geldt ook voor andere tradities in Oost-Azië. Vroeger beoefende men literatuurgeschiedenis en historische letterkunde door alleen naar de tekst te kijken. Tegenwoordig heeft men veel meer oog voor de interactie tussen tekst en beeld. Het vak is daardoor erg veranderd.'
Twee gedichten van Ki no Tsurayuki (?-945) 1. Gedicht voor een kamerscherm voor de Minister van Rechts, in het zevende jaar van de Jōhei-periode (937). Ook in gras en bomen 2. Gedicht op [het zien van] sneeuw die de bomen bedekt. In de diepe winterrust De uitwerking van het motief dat sneeuwvlokken voor zeer vroege bloesems worden aangezien, is in beide gedichten hetzelfde. Het verschil is dat in het eerste gedicht de dichter zich verplaatst in de afgebeelde vrouw en in het tweede gedicht zijn eigen observatie weergeeft. Het zijn de korte proza-inleidingen bij de gedichten die dat verschil aangeven.
Hofdames
[scene:] Bij iemands huis is een vrouw buiten het rolgordijn gestapt en ziet hoe sneeuw de bomen bedekt.
zijn bloesems gaan bloeien.
Neerdwarrelende sneeuw:
nog vóór de lente
lijken de vlokken bloesems te worden.
heel onverwacht
tussen de bomen door
alsof je bloesems ziet
dwarrelen sneeuwvlokken neer.
'De wijze van lezen in het oude Japan was veel meer gekoppeld aan kijken dan we soms beseffen. Een van de belangrijkste manieren waarop men literatuur las in de middeleeuwen, was niet alleen door voorlezen en kopiëren met de hand, maar ook door illustreren. Er zijn allerlei aanwijzingen dat bepaalde hofdames al in de klassieke periode de specifieke rol hadden om illustraties te verzorgen bij populaire verhalen. Ook in de premoderne Edo-tijd (1603-1868) waren er eindeloos veel genres zoals de kibyōshi ('boeken met een gele kaft') die sommigen beschouwen als de voorlopers van de manga-strips. De plaatjes in die boeken hebben een belangrijke functie. Uit de monden van de personages komen teksten.'
Vraag
Smits: 'Het gaat om de vraag of we kunnen begrijpen hoe die verbeelding werkte. Dat is een heel 'grote' vraag, waarop geen definitief antwoord te geven is, maar die uiteindelijk wel draait om hoe je andere culturen zou moeten bestuderen. Om in kaart te brengen hoe de verbeelding werkte, moet je jezelf lastige vragen stellen. Is verbeelding hetzelfde als fantasie of zijn het gescheiden categorieën? Is de verbeelding zwaar gecodeerd of is er vrijheid voor de dichter?'
(11 maart 2008/SH)
