'Goede oren voor leerlingen, daar gaat het om'


Prof.dr. Jan van Driel: 'Nederland heeft een belabberde traditie in het bijscholen en begeleiden van leraren.'

'Je bent pas een goede docent als je genoeg praktijkervaring hebt opgedaan', vindt Jan van Driel. Daarom pleit de hoogleraar Didactiek van de natuurwetenschappen ervoor de lerarenopleiding voort te zetten in de beroepspraktijk. Vrijdag 7 maart houdt hij zijn oratie.

Wat maakt iemand tot een goede docent? Daar kan Van Driel lang en enthousiast over praten. 'Maar uiteindelijk komt het neer op 'goede oren voor leerlingen hebben'. Een goede docent verdiept zich in hoe de leerlingen zijn vak leren. Daarom kun je ook pas een goede docent zijn als je praktijkervaring hebt opgedaan. Je moet ervaring opdoen met hoe leerlingen zich de stof eigen maken, welke problemen ze daarbij ondervinden. Je moet natuurlijk je vakgebied goed beheersen en goed kunnen uitleggen. Maar je succes als docent staat of valt met je bereidheid om te luisteren naar je leerlingen. En je moet vooral luisteren naar degenen die het nog niet snappen. Bij bètavakken blijkt bijvoorbeeld dat leerlingen vaak moeite hebben met termen als kracht of stof, die ook in het dagelijks leven worden gebruikt, maar daar iets anders betekenen.'

Het wordt geel!
Het is essentieel voor een docent dat hij pedagogical content knowledge heeft. Dat betekent inzicht hebben in de manieren waarop leerlingen de vakinhoud leren en in de moeilijkheden die daarbij kunnen optreden. Ook beschikt een goede docent over een repertoire van didactische strategieën die het leerproces kunnen sturen en bevorderen. Een voorbeeld. In het beginonderwijs in de scheikunde maken leerlingen kennis met het concept 'chemische reactie'. Dat is voor velen lastig te begrijpen. Een docent door wie Van Driel zelf gecoacht werd toen hij aan het begin stond van zijn carrière als scheikundedocent pakte het als volgt aan. Hij liet zijn leerlingen zout en suiker samenwrijven in een mortier (een soort vijzel). Het resultaat was - uiteraard - niet verrassend. Vervolgens verpulverden de leerlingen twee andere witte poeders samen in een mortier, kaliumjodide en zilvernitraat. 

ICLON
Van Driel is als hoogleraar verbonden aan het ICLON, het Interfacultair Centrum voor Lerarenopleiding Onderwijsontwikkeling en Nascholing van de Universiteit Leiden. Het ICLON houdt zich bezig met het opleiden en nascholen van docenten in voortgezet en hoger onderwijs. Uit internationaal onderzoek blijkt dat de kwaliteit van onderwijs voor een belangrijk deel bepaald wordt door de docent. 'Dit gegeven leek lange tijd genegeerd te worden, maar wordt inmiddels weer algemeen erkend', aldus Van Driel.

Toen trad er wel een opvallende verandering op: het mengsel werd knalgeel. De docent in kwestie had 'goede oren'. Hij observeerde de ongelovige reacties van zijn leerlingen en begreep dat ze moeite hadden met het accepteren van het concept 'chemische reactie'. 'Het wordt geel!' riepen ze, alsof ze zichzelf wilden overtuigen van hun waarneming. Andere leerlingen ontkenden de verandering: 'het was al geel', of 'het wordt maar een beetje geel' en weer anderen bedachten creatieve verklaringen. De bewust gecreëerde verwarring diende vervolgens als startpunt voor een discussie tussen docent en leerlingen, waarvan de uitkomst was dat het verschijnen van de gele kleur wel moest betekenen dat er een nieuwe stof was ontstaan.'

Leukheidsgedachte
'Sommige mensen denken dat het onderwijs in de bètavakken leuker moet worden om leerlingen te motiveren, maar de leukheidsgedachte, die heel wat aanhangers heeft in het onderwijsveld, vind ik helemaal fout', zegt Van Driel. 'Het debat moet gaan over relevantie, we moeten onderwerpen onderwijzen waarvan leerlingen begrijpen dat ze belangrijk zijn. Leerlingen moeten natuurlijk wel bepaalde concepten en abstracta leren, daar valt niet 


Demonstratie van zeer lage temperaturen met behulp van stikstof.
aan te ontkomen. Er zijn op dit moment landelijke commissies voor de bètavakken aan het werk om vast te stellen welke concepten tot de verplichte leerstof zouden moeten behoren. Maar vervolgens moet je het aan de docent zelf overlaten hoe hij zo'n concept relevant maakt voor zijn leerlingen. Als je met organische chemie bezig bent, kun je daar als docent de verfindustrie bij betrekken, maar je kunt het ook op een andere manier relevant maken.'

Pleidooi
In zijn oratie zal Van Driel pleiten voor het voortzetten van de lerarenopleiding in de beroepspraktijk. 'Uit ervaring weten we dat in de eerste helft van de lerarenopleiding de aandacht van de leraren in spe nog sterk gericht is op het klassenmanagement. Onderzoek wijst uit dat zelfs in het tweede deel van de opleiding het leren van basale vakdidactische noties en vaardigheden slechts gedeeltelijk succesvol verloopt. Voor de ontwikkeling tot volwaardig vakdocent moeten we zoeken naar een organisatie van de lerarenopleiding waarin het leerproces tijdens de eerste periode van de beroepsuitoefening wordt voortgezet.'

Beroepstrots
Dat ook ervaren docenten in staat gesteld worden om zich in hun vakonderwijs te blijven ontwikkelen is nog helemaal niet gebruikelijk in Nederland, maar wel cruciaal voor de beroepsbeleving en beroepstrots, vindt Van Driel. 'Nederland heeft een belabberde traditie in het bijscholen en begeleiden van leraren. Dat is een belangrijke oorzaak van het grote aantal afhakers.' In Engeland verlaat ongeveer de helft van de nieuwe leraren binnen vijf jaar het onderwijs. De Nederlandse cijfers heeft Van Driel niet paraat, maar hij vermoedt dat die niet veel anders zullen uitvallen. Ook ervaren docenten moeten zich kunnen blijven ontwikkelen. Ze moeten onderzoek kunnen doen in hun eigen lespraktijk of vakinhoudelijk kunnen bijtanken. Van Driel: 'Ook voor docenten is modern personeelsbeleid onontbeerlijk om ze gemotiveerd te houden.'

Link
Tekst van de oratie (pdf) die prof.dr. Jan van Driel op 7 maart uitspreekt.

(4 maart 2008/DH)