Hoe standaard is het Standaardnederlands?


Gijsbert Rutten: 'Je kunt niet met een microfoon naar de achttiende eeuw gaan.'

De Nederlandse standaardtaal zou in de zeventiende zijn ontstaan en in grote lijnen vorm hebben gekregen. In het onderzoek daarnaar is steeds gekeken naar het taalgebruik van hoogopgeleide mannen uit voornamelijk de provincie Holland. Maar hoe zit het met het taalgebruik van al die andere mensen en in andere provincies? De Nijmeegse neerlandicus dr. Gijsbert Rutten is naar Leiden gekomen om dat met een Rubiconsubsidie uit te zoeken.

Orangisten
'Het is wel zeker dat veel meer mensen dan alleen die hoogopgeleiden schreven', vertelt Rutten. 'De Nederlanders waren behoorlijk gealfabetiseerd, maar de teksten van vrouwen, kinderen, mensen van het platteland en uit andere provincies zijn zelden betrokken in het onderzoek.' Rutten wil zich eerst een beeld vormen van de variatie die er moet zijn geweest. 'Ik ga me richten op het taalgebruik van minder hoogopgeleide mensen aan het eind van de achttiende eeuw. Ik heb wat dagboeken van patriotten die het land moesten verlaten toen de Orangisten in 1787 aan de macht kwamen en verder een aantal digitale bestanden via uitgeverij Verloren in Hilversum. Hiermee zit ik dan zo'n honderd tot honderdtwintig jaar na het begin van de standaardtaal. Als de standaardtaal dan al gevestigd zou zijn, moet die toch in teksten uit die tijd naar voren komen.' Het zal ondoenlijk zijn voor Rutten om alle bronnen die verspreid over bibliotheken en archieven in het hele land liggen te betrekken in zijn onderzoek. Maar met de bronnen die hij nu tot zijn beschikking heeft, kan hij toch een goed beeld krijgen.


Patriotten met vaandel.

Topinstituut
De Rubiconsubsidie is door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) ingesteld als aanloopsubsidie voor de Veni-, Vidi- en Vici-subsidies voor veelbelovende onderzoekers. Het geld is bedoeld om in principe twee jaar onderzoek te doen aan een buitenlands topinstituut. Rutten: 'Ik vond het wat geforceerd voor een neerlandicus om naar het buitenland te gaan en wilde graag naar Leiden om zijn goede reputatie.' Specifieke redenen om naar Leiden te komen waren het Sailing Letters-project van prof.dr. Marijke van der Wal dat het zeventiende eeuwse en achttiende-eeuwse Nederlands betreft en het sociolinguïstische Viciproject The Codifiers and the English Language van prof.dr. Ingrid Tieken dat dezelfde periode bestrijkt als waar Rutten zich op richt. NWO keurde zijn plan goed, maar wel met de consequentie dat de subsidie voor een jaar zou zijn.


Handschrift van een dagboek uit de achttiende eeuw.

Hollands
De eerste vraag waar Rutten zich mee gaat bezighouden is of de mensen uit andere regio's - zoals Friesland en Brabant - inderdaad Hollands schreven. Rutten: 'Ook als je nu mensen met een lagere opleiding vraagt een brief te schrijven, doen ze dat vaak niet volgens de officiële regels van het Nederlands. Met spelling hoef je al helemaal niet aan te komen en daarnaast zijn er allerlei vormvarianten in de zinsbouw die je in de gewone standaardtaal niet aantreft. Dat moet in het verleden ook zo zijn geweest.' Een tweede vraag is of de schrijftaal van mensen die minder verstand hadden van de traditionele schrijftaal, dichter bij de spreektaal stond. 'Lastig daarbij is de barrière van het schrift', zegt Rutten. 'Je kunt niet met een microfoon naar de achttiende eeuw gaan.'

Spreektaal
Hooguit op het gebied van de fonologie (klankleer) kun je volgens Rutten wat algemene uitspraken doen. 'Als iemand consequent een s schrijft waar ook in die tijd al volgens de standaard een z geschreven moest worden - bijvoorbeeld son of sonder - dan heeft hij daar waarschijnlijk een s uitgesproken. Maar toch is ook iemand die eigenlijk nooit schrijft, zich ervan bewust dat hij bezig is met een heel andere soort handeling dan spreken. Hij zal zijn taal aanpassen, omdat hij weet dat anderen zijn tekst zullen lezen, en hij weet dat er brief- en schrijfconventies bestaan. De kans dat iemand zuivere spreektaal schrijft is klein.' Hij geeft een mooi voorbeeld van een lage officier die zich van formeel taalgebruik bedient: De aristokraaten, dien hoon niet kunnende verdraagen, begaven zig in den jaare 1786 met de Prins aan hun hoofd na de provintie van Gelderland alwaar de braave waaren uytgeweeken, zijnde hetzelve eene verzamelplaats geworden van aterlingen en kruypende slaven van het despotismus van eene befaamde stadhouder.

Leenwoorden
Rutten is pas een maand bezig, dus kan hij nog niet veel over het citaat zeggen. Maar hij wijst al op een paar opvallende kenmerken die afwijken van de standaard. 'Het voorzetsel naar wordt eigenlijk altijd geschreven als na. Dat gebeurt trouwens tegenwoordig ook nog regelmatig. En twee maal een constructie met een tegenwoordig deelwoord - niet kunnende verdraagen en zijnde - die in het moderne Nederlands eigenlijk niet meer voorkomen.' Andere kenmerken die je ook nu nog vaak ziet zijn de verwisseling van als en dan na een vergelijking (groter als) en het door elkaar halen van kennen en kunnen, en liggen en leggen. Rutten: 'Daarnaast kom je een veel gedifferentieerder gebruik van de persoonlijke voornaamwoorden tegen: het doet myn leet en dat [hy] myn wou schildere; hem in plaats van zich: met twee bewakers bij hem.' En voor al de mensen die zich nu zorgen maken om het (te) uitbundige gebruik van Engelse leenwoorden: in de achttiende eeuw waren Franse leenwoorden gemeengoed: elucideerde zig (ophelderen), wij retireerden (terugdeinzen) en wij resolveerden (besluiten).

(9 oktober 2007/SH)