Kindermishandeling laat sporen na bij genetisch kwetsbaren


Vidi-winnares Bernet Elzinga: 'Sommige mensen zijn genetisch kwetsbaar voor het ontwikkelen van een psychische stoornis wanneer zij als kind mishandeld zijn.'

Klinisch psycholoog Bernet Elzinga heeft een Vidi-subsidie gekregen voor haar onderzoek naar de langetermijngevolgen van kindermishandeling. Een studie van de Universiteit Leiden wees in 2005 uit dat in Nederland meer dan 100.000 kinderen tussen 0 en 17 jaar te maken hebben gekregen met emotionele, fysieke en/of seksuele mishandeling. Niet elk van deze kinderen ontwikkelt een psychische stoornis. Wat maakt dat het ene slachtoffer wel depressief of angstig wordt en het andere niet? Verschil in genetische kwetsbaarheid speelt hierin een rol, denkt Elzinga. 'Sommige mensen zijn van nature kwetsbaar, terwijl andere veerkrachtiger zijn.'

Individuele verschillen
Mensen die mishandeld zijn hebben een verhoogde kans op het ontwikkelen van een psychische stoornis, zoals depressie of alcoholverslaving. 'Maar dat iemand een verhoogde kans heeft op een stoornis, hoeft niet te betekenen dat hij of zij ook daadwerkelijk een stoornis ontwikkelt,' zegt Elzinga. 'De ene persoon blijft onder vroegere mishandeling lijden, terwijl de ander er op een positieve manier mee om weet te gaan.' Sociale steun kan daarbij helpen, is bekend uit onderzoek. 'Over de rol van de genen weten we echter nog weinig,' aldus Elzinga. Dat is reden voor de psycholoog om juist deze bron van individuele verschillen in kwetsbaarheid te onderzoeken.


In Nederland hebben meer dan 100.000 kinderen tussen 0 en 17 jaar te maken gehad met mishandeling (bron: Universiteit Leiden, 2005).

Hersenen
Elzinga gaat daarbij uit van een neuropsychologisch model gebaseerd op dieronderzoek. Dit model veronderstelt dat mishandeling invloed kan hebben op de structuur en de functie van bepaalde hersengebieden, zeker als deze nog in ontwikkeling zijn. Elzinga gaat deze effecten eerst in hun algemeenheid onderzoeken, om vervolgens te kijken hoe zij afhankelijk zijn van de genetische opmaak van het individu. Proefpersonen selecteert zij uit de grootschalige Nederlandse Studie naar Depressie en Angst (NESDA), waar 2850 personen aan deelnemen. 'Met behulp van hersenscans wil ik het brein van patiënten met een geschiedenis van kindermishandeling die een psychische stoornis hebben ontwikkeld vergelijken met dat van proefpersonen die vergelijkbare gebeurtenissen hebben meegemaakt, maar geen psychische stoornis hebben ontwikkeld.'

Hippocampus
Dierstudies wijzen erop dat ernstige stress schadelijk kan zijn voor bepaalde hersenstructuren. Een belangrijk voorbeeld daarvan is de hippocampus, een hersengebied dat betrokken is bij emoties en het geheugen. 'Dieren die op jonge leeftijd langdurig aan stress worden blootgesteld, hebben een kleinere hippocampus dan dieren die niet aan stress zijn blootgesteld,' legt Elzinga uit. Andere hersengebieden die gevoelig zijn voor chronische stress zijn de amygdala en de prefrontale cortex, hersengebieden die eveneens een rol spelen in emoties en het geheugen. 'Het psychische functioneren kan daardoor ontregeld worden,' aldus Elzinga. De psycholoog wil soortgelijke effecten bij mensen onderzoeken aan de hand van hersenscans en psychologische tests.


Chronische stress is schadelijk voor de hippocampus en de amygdala, hersengebieden die betrokken zijn bij emoties en het geheugen. (Vanaf linksboven, met de klok mee: zij-aanzicht, vooraanzicht, achteraanzicht, onderaanzicht).

BDNF-gen
De schadelijke effecten van mishandeling zijn niet voor elk individu even groot. Welke genen maken iemand kwetsbaar voor het ontwikkelen van een psychische stoornis? Elzinga denkt dat er onder meer een rol is weggelegd voor het zogenoemde BDNF-gen. 'Het is bekend dat mensen met een bepaalde variant van het BDNF-gen een kleinere hippocampus hebben en tijdens een geheugentaak minder activiteit in dat gebied vertonen dan mensen met een andere variant van het gen. Mijn onderzoek moet uitwijzen of de eerste groep daardoor ook kwetsbaarder is voor langdurige stress en vaker met geheugen- en andere psychische problemen kampt dan de tweede.'

GR-gen
Een tweede gen waarvan Elzinga het effect onder de loep neemt is het GR-gen. Variaties in dit gen hangen samen met de mate waarin een individu het stresshormoon cortisol aanmaakt wanneer het zich in een stressvolle situatie bevindt. Elzinga gaat de rol van het GR-gen onder andere experimenteel onderzoeken. 'We stellen mensen met de 'kwetsbare' variant van het gen en mensen met de 'sterke' variant bloot aan sociale stress door hen te laten deelnemen aan een nagebootst interview met een sollicitatiecommissie. Vervolgens vergelijken we de psychologische en fysiologische stressreacties van de twee groepen en meten we hun prestaties op een geheugentaak. Waarschijnlijk presteren mensen met het 'kwetsbare' gen slechter op de taak, omdat de stress hen sterker ontregelt.'

Geen lotsbestemming
Dat sommige mensen van nature kwetsbaar zijn voor de nadelige gevolgen van stress en mishandeling, wil volgens Elzinga niet zeggen dat zij veroordeeld zijn om onder die gevolgen te blijven lijden. 'Nu er meer inzicht komt in de onderliggende hersenmechanismen, kunnen we in de toekomst hopelijk beter ingrijpen met medicatie. Kwetsbaarheid is bovendien geen lotsbestemming waar je zelf geen invloed op kunt uitoefenen. Een slachtoffer van mishandeling dat genetisch kwetsbaar is voor het ontwikkelen van psychische problemen, kan zijn leven zo inrichten dat de kans op die problemen verkleind wordt. Denk bijvoorbeeld aan het zoeken van sociale steun of het kiezen van een rustige leefomgeving. Dat kan helpen. Geen enkel slachtoffer van kindermishandeling, genetisch kwetsbaar of niet, is bij voorbaat gedoemd om angstig en depressief door het leven te gaan.'

(25 september 2007/Tristan Lavender)