Psychiatrische problemen bij jongeren sneller opsporen
![]() Robert Vermeiren: 'Het belangrijkste is dat jongeren met psychiatrische problemen zo snel mogelijk gediagnosticeerd worden.' |
Jaarlijks verblijven zo'n 6000 á 7000 jongeren van 12 tot 18 jaar voor kortere of langere tijd in een van de vijftien Nederlandse justitiële jeugdinrichtingen (JJI's). De inrichtingen hebben in totaal ca. 2300 plaatsen. Dat betekent dat jongeren gemiddeld een maand of drie in de inrichting verblijven. Er zijn twee soorten JJI's: opvanginrichtingen en behandelinrichtingen. In een behandelinrichting krijgen door de kinderrechter veroordeelde jongeren een behandeling. In een opvanginrichting zitten jongeren die verdacht worden van een misdrijf, maar er zitten er ook die al veroordeeld zijn en hun straf zonder behandeling uitzitten. Sommige jongeren wachten er op een plaats in een behandelinrichting.
Snel diagnosticeren
Sommige jongeren die in een JJI verblijven, lijden aan een psychiatrische stoornis. Deze kan een rol gespeeld hebben bij het begaan van het misdrijf, maar het is vaak moeilijk uit te maken of de stoornis de oorzaak of het gevolg is van de problemen, vertelt Robert Vermeiren. 'Het belangrijkste is dat jongeren met psychiatrische problemen zo snel mogelijk gediagnosticeerd worden en hulp krijgen. Dan is de kans het grootste dat ze de draad van hun leven weer kunnen oppakken en lopen ze minder risico later opnieuw in de problemen te komen.'
![]() |
![]() | |
| Forensisch Centrum Teylingereind in Sassenheim, een justitiële jeugdinrichting waarmee Curium-LUMC samenwerkt voor patiëntenzorg en onderzoek. | ||
Vermoeden van een stoornis
Maar juist dat snel herkennen van psychiatrische stoornissen blijkt lastig. Vermeiren: 'Het is onmogelijk om de duizenden jongeren die jaarlijks een inrichting binnenkomen door een kinderpsychiater of gedragsdeskundige te laten beoordelen. Er zijn niet genoeg deskundigen om dat te kunnen doen. Daarom willen we een computersysteem ontwikkelen dat het mogelijk maakt die jongeren te selecteren die vermoedelijk psychiatrische problemen hebben. Je kunt het bestaan van een psychiatrische stoornis niet vaststellen alleen op basis van een vragenlijst, maar zo'n lijst maakt het wel mogelijk een gefundeerde voorselectie te maken van die jongeren waarbij een vermoeden bestaat van zo'n stoornis. Om deze te kunnen vaststellen, moet dan een psychiatrisch onderzoek gedaan worden, waarbij ook moet worden doorgevraagd op de antwoorden die de jongere heeft ingevuld.'
Volwassenenpsychiatrie
In de volwassenenpsychiatrie wordt al naar tevredenheid gewerkt met zo'n computersysteem. Vermeiren en zijn team willen dit systeem zodanig aanpassen dat het bruikbaar wordt voor jongeren, die de vragen dan via de monitor kunnen beantwoorden. Een belangrijk bijkomend voordeel is dat er onmiddellijk feedback gegeven kan worden aan de groepsleiding of anderen over wat de jongere heeft ingevuld.
Onderzoekslijnen
Robert Vermeiren is directeur van Curium-LUMC, Academisch Centrum voor Kinder- en Jeugdpsychiatrie. Curium-LUMC diagnosticeert en behandelt kinderen en jongeren met psychiatrische problemen. Ze kunnen lijden aan onder andere angststoornissen, depressies, ADHD, autismespectrumstoornissen, eetstoornissen, ontwikkelings- en persoonlijkheidsstoornissen. Vermeiren is verantwoordelijk voor opleiding van kinder- en jeugdpsychiaters, voor onderwijs en onderzoek en patiëntenzorg. De meeste tijd besteedt hij op dit moment aan het ontwikkelen en stroomlijnen van het onderzoek van Curium-LUMC. Er wordt momenteel gewerkt aan twee grote onderzoekslijnen. De eerste onderzoekslijn is Public Child Mental Health and routine outcome monitoring, de tweede betreft het onderzoek naar de neuro-biologische correlaten van stoornissen.
Public Child Mental Health
Vermeirens eigen expertise ligt vooral bij het epidemiologisch jeugdpsychiatrisch onderzoek, dat zich richt op delinquente jongeren met psychiatrische problemen. Deze expertise komt vooral van pas binnen de onderzoekslijn Public Child Mental Health. Daarbij gaat het om de signalering en diagnostiek van kinderpsychiatrische stoornissen in de eerstelijnsgezondheidszorg, bij jongeren dus die met of door hun problemen bij de huisarts, de GG&GD of de justitiële jeugdinrichting terechtkomen. De doelstelling van het onderzoeksprogramma Public Child Mental Health is het uitwerken van een efficiënt en effectief kinder- en jeugdpsychiatrisch hulpverleningstraject binnen de Nederlandse gezondheidszorg. Het evalueren van het effect van kinderpsychiatrische behandeling (routine outcome monitoring) in de kliniek en de polikliniek van Curium-LUMC maakt ook deel uit van dit programma.
Neuro-imaging
Neuro-imaging is een techniek waarmee je hersenactiviteit zichtbaar kunt maken. Deze tweede onderzoekslijn is opgezet om na te gaan of het mogelijk is beter zicht te krijgen op de verschillende psychiatrische stoornissen en hun subtypen. De indeling in stoornissen die in de huidige psychiatrie gehanteerd wordt, is nog niet altijd voldoende onderscheidend, vertelt Vermeiren. 'Als je twee jongens hebt, die beiden gediagnosticeerd zijn met een autismespectrumstoornis, kunnen ze toch sterk van elkaar verschillen. De een kan erg teruggetrokken zijn en met niemand contact maken, de ander maakt misschien wel veel contact, maar dan op een inadequate manier. Met neuro-imaging is het misschien mogelijk deze verschillen in beeld te brengen. Vragenlijsten alleen zijn niet onderscheidend genoeg om ook de meer subtiele verschillen zichtbaar te maken.'
Amygdala
Het interessantste is natuurlijk de vraag of met neuro-imaging kan worden aangetoond of er een zichtbare verandering in de hersenen optreedt, bijvoorbeeld in de amygdala, na een psychiatrische behandeling. De amygdala is een kern in de hersenen die sterk reageert op emoties. Daaraan zou je kunnen zien of kinderen die getraumatiseerd zijn en sterke angstgevoelens ervaren, na een behandeling minder overgevoelig zijn voor angst. Vermeiren: 'Maar ik wil wel benadrukken dat het op dit moment nog helemaal niet duidelijk is of dit ooit daadwerkelijk tot de mogelijkheden zal behoren. Dat moet onderzoek uitwijzen.'
Links
(25 september 2007/DH)



