'Tijd voor de inhoud van het onderwijs'


Ton van Haaften: 'We hebben een witter imago dan de cijfers rechtvaardigen.'
Vice-rector Ton van Haaften draagt per 1 september zijn functie over aan Rietje van Dam. Die functie was bij zijn aantreden in 2005 zo nieuw, dat er ten burele discussie ontstond hoe het woord 'vice-rector magnificus' er volgens de nieuwe spellingsregels uit zou moeten zien.

Eigenlijk wilde de neerlandicus in 2005, na zeven jaar bestuur waaronder ruim drie jaar decanaat, al terug naar zijn eigenlijke liefde onderwijs en onderzoek, maar hij gaf gehoor aan het verzoek het gat op te vullen dat de voortijdig vertrekkende voorzitter AW Kist achterliet. Hij wilde niet dat de implementatie van het universitaire instellingsplan 'Kiezen voor Talent' te lang uitgesteld zou worden. Van Haaften deed het uit loyaliteit, maar zegt zeker niet teleurgesteld te zijn door het vicerectoraat. 'Ik heb het met veel plezier gedaan'.

Einde aan structuurdiscussies
Zijn terugkeer naar de professorale werkvloer valt samen met het moment waarop de structuur van bachelor-masterstelsel grotendeels 'af' is. Van Haaften, die de belangrijke portefeuille onderwijs heeft beheerd: 'Ik vind dat we nu een periode moeten afsluiten van een jaar of acht van structuurdiscussies over het bachelor-masterstelsel, en ons nu volledig moeten richten op de inhoud en de didactiek van het onderwijs. Het is nu tijd voor inhoudelijke vervolmaking.'

Studierendement
Zo moet het studierendement van de bacheloropleiding broodnodig worden verbeterd, weet Van Haaften. 'De middelen om dat te bewerkstelligen hangen heel erg samen met inhoud en didactiek. Ik verheug me erop om daar in de opleiding Nederlands zelf een bijdrage aan te leveren.'

Masteropleidingen
'Ook moeten we serieus gaan nemen dat de Bachelor en de Master verschillende opleidingen zijn', vervolgt hij. 'We moeten inhoud gaan geven aan de graduate universiteit. Hoe belangrijk de bacheloropleiding ook is, we zullen ook in staat moeten zijn een groter aandeel binnen- en buitenlandse studenten voor masteropleidingen aan te trekken. Ook dat heeft erg te maken met de inhoud van opleidingen, minder met de structuur. En het moet noodzakelijkerwijs nauw verbonden zijn met onderzoek.'

Minoren
Een van de structuurdiscussies waar Van Haaften het de afgelopen twee jaar druk mee heeft gehad, ging over de invoering van de vernieuwde 'minor'. Het sluitstuk van de invoering van de bachelor-masterstructuur in Leiden, zo noemt hij het nieuwe minorstelsel, dat inhoudt dat studenten in hun tweede of derde jaar geheel vrij een samenhangend keuzepakket  mogen kiezen, ook buiten hun eigen opleiding.

Enorme breedte
Van Haaften: 'Het oude major-minor stelsel met vaste combinaties voldeed niet, in die zin dat het te weinig studenten trok, op enkele zeer succesvolle combinaties na, zoals die van Rechten en Bedrijfswetenschappen. Het stelsel had ook inherente nadelen. Je dwong studenten al voordat ze op de universiteit zaten om zo'n combinatie te kiezen. Nu kiezen de studenten eerst een eigen vakgebied, en daarna kunnen ze kennismaken met de enorme breedte van de universiteit. De inzet was dat alle opleidingen hiervoor een ruimte van 30 ECTS  (een half studiejaar, red.) zouden vrijmaken. Dat is niet gelukt. Maar een meerderheid van de opleidingen doet het wel, en ik hoop dat het systeem zichzelf zal bewijzen, en dat studenten in de andere opleidingen er zelf om zullen gaan vragen. En natuurlijk willen we het goede behouden. Zo blijft de combinatie Rechten en Bedrijfswetenschappen als bacheloropleiding bestaan, alleen heet het nu een combinatiestudie.'

Gekleurder
Een ander wapenfeit: het diversiteitsbeleid, dat flink op de rails staat. 'Het is getrokken door twee medewerkers, Eveline Weenink en Sabina Beijne, met mijn volle steun en overtuiging. De Leidse universiteit mag wat mij betreft wel wat gekleurder worden. Hoewel we een witter imago hebben dan de cijfers rechtvaardigen. De instroom allochtone studenten is 13%. Alleen is die later op gang gekomen dan bijvoorbeeld aan de Erasmus Universiteit en de VU. We weten inmiddels dat het goed kan werken als je er bewust beleid voor ontwikkelt. Maar het is heel belangrijk om dat te integreren in bestaande activiteiten, zoals de wervingscampagnes en het Leidse studiesysteem.'

Structuur in de studie
En: 'Het moet gaan over instroom, doorstroom en uitstroom. Vooral in de hoek van de alfa- en gammastudies laten doorstroom en uitstroom van niet-westerse allochtone studenten te wensen over. De bètaopleidingen en medicijnen doen het heel goed; dat die erg gestructureerd zijn zal daar een rol bij spelen. Mede daarom ben ik ook zo enthousiast over het plan van Rechten, om voor álle studenten meer structuur aan te brengen. Als je dat doet is het ook profijtelijk voor niet-westerse allochtone studenten. Daarbinnen kun je die dan iets intensiever aandacht gaan geven. Overigens moet je hier natuurlijk erg oppassen voor generalisaties. Er zijn genoeg niet-westerse allochtone studenten die briljant zijn en geen speciale aandacht nodig hebben.'

Openheid
Blijvend punt van aandacht was en blijft de interne kwaliteitszorg in het onderwijs. 'Je wilt als instelling voor elke opleiding de kwaliteit van het onderwijs kunnen waarborgen. De grote kunst is om dat efficiënt te doen zonder dat het een enorme bureaucratie met zich meebrengt. Daarbij ben ik voor grote openheid. Elke evaluatie van elke cursus zou van mij op het internet mogen. Studenten moeten merken dat er met de uitkomsten daarvan iets gebeurt. Ik ben ook een groot voorstander van instellingsaccreditatie, in plaats van accreditatie van opleidingen. Met steekproefsgewijze controles. Maar dan moet je zorgen dat de interne kwaliteitszorg goed op orde is. Dan kan het huidige, betrekkelijk zinloze visitatie- en accreditatiecircus verleden tijd worden.'

'Het is goed dat onderwijs een eigen gezicht heeft'
Van Haaften is blij met de omslag die de Universiteit Leiden in 2005 gemaakt heeft naar een bestuurlijke constructie met een rector magnificus aan het hoofd die tevens voorzitter is. 'De universiteit moet geleid worden door iemand die een voortreffelijk bestuurder is, maar zelf ook ervaring heeft in onderwijs en onderzoek.' Maar hij is ook blij dat iemand binnen het college, i.c. de vice-rector, zich geconcentreerd kan richten op onderwijs. 'De combinatie onderwijs en onderzoek zou anders erg zwaar zijn. Bovendien: We zijn een onderwijsinstelling. Het is goed dat onderwijs een eigen gezicht heeft.'

(28 augustus 2007/HP)