Het schoolschrift van Pieter


Bladzijde uit het schrift van Pieter met tekeningen van cupidootjes die hij tekende naar voorbeelden uit het embleemboek van P.C. Hooft, Emblemata Amatoria.
De voorloper van het tegenwoordige gymnasium was de Latijnse school. Van de zestiende tot in de negentiende eeuw gingen jongens in de leeftijd tussen 12 en 18 daar naar toe, als hun ouders het konden betalen. Schoolboeken die op de Latijnse school gebruikt werden, zijn er genoeg. Historica Anneke Frank-van Westrienen ontdekte echter het schoolschrift van een jongen die in die tijd Latijn leerde: Pieter Teding van Berkhout (1643-1713) en schreef er een boek over. Van zo'n schrift is tot dusver geen tweede bekend. De Leidse UB opent vrijdag 6 juli een tentoonstelling over de Latijnse school en de boeken die Pieter gebruikte. Dr. Anton van der Lem, conservator oude drukken, stelde de tentoonstelling samen.

Toevallige ontdekking
Frank ontdekte het schrift enkele jaren geleden in het archief van de familie Teding van Berkhout, dat bewaard wordt in het Nationaal Archief in Den Haag. Ze kwam daar omdat Pieter een grand tour had gemaakt en ze over dit onderwerp een proefschrift schreef. Ze promoveerde in 1983 op dit onderwerp aan de Universiteit Leiden, dezelfde universiteit waar ze zo'n halve eeuw eerder geschiedenis studeerde - ze heeft nog college gehad van gerenommeerde historici als Huizinga  en Colenbrander. Het schrift van Pieter was zo'n unieke vondst, dat ze ook daar nog een boek over wilde schrijven. Op 6 juli, vlak voor haar negentigste verjaardag, presenteert ze nu haar tweede monografie: Het schoolschrift van Pieter Teding van Berkhout, vergezicht op het gymnasiaal onderwijs in de zeventiende-eeuwse Nederlanden

Collectie embleemboeken
Frank wilde in haar boek ook illustraties opnemen van drukken uit de Leidse UB en nam daarvoor contact op met conservator Van der Lem. Hij stelde voor er een tentoonstelling van te maken. Van der Lem: ' Dit is een unieke kans om een tentoonstelling te maken over het leren van Latijn. Het schrift van Pieter biedt daarvoor een originele invalshoek. En het biedt de UB de kans haar rijke collectie embleemboeken, bestaande uit 539 items, aan een breder publiek te laten zien. Er komt ook een vitrine met enkele nieuwe embleemboeken die we de afgelopen jaren konden verwerven. Antiquariaten die embleemboeken aanbieden, schrijven soms in hun aanbiedingscatalogi 'niet in de Universiteitsbibliotheek van Leiden', wat geldt als indicatie van de zeldzaamheid van het aangeboden boek. Maar het is natuurlijk ook een compliment voor de kwaliteit van onze collectie!'

Pieters schrift
Het schrift van Pieter is heel wat dikker dan de schriften die tegenwoordig op de middelbare school worden gebruikt. De inhoud dateert uit de jaren 1658-1660 - Pieter schreef er dus in tussen zijn vijftiende en zeventiende levensjaar. Het schrift is gebonden en telt 234 bladzijden. Het is niet bekend of leerlingen van de Latijnse school maar één schrift hadden waarin ze alles noteerden, of dat ze er meerdere schriften op na hielden. Opmerkelijk is wel dat er geen Grieks in Pieters schrift voorkomt, terwijl die taal wel deel uitmaakte van het lesprogramma. In het schrift staan spreuken, korte verhaaltjes, opstellen, oefenbrieven en emblemen: tekeningen met een spreuk en een moralistisch versje eronder.


Emblemen en titelpagina uit het embleemboek van P.C. Hooft, Emblemata amatoria.

Speurzin
Frank stelde zich onder andere ten doel om voor alle items in het schrift na te gaan wat de bron ervan is geweest. De grootste complicatie daarbij was vast te stellen wat Pieter zelf heeft gelezen en wat hij uit uittrekselboeken, bloemlezingen en spreukencollecties heeft overgeschreven. In Pieters schrift staan ook vele tekeningen en emblemen. Dankzij haar grote speurzin is Frank erin geslaagd veel bronnen van deze afbeeldingen te traceren. Relatief veel van Pieters voorbeelden staan in boeken die zich in de Leidse UB en de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag bevinden. De embleemboeken uit de Leidse UB die Pieter gebruikt heeft, zijn te zien op de tentoonstelling, aangevuld met boeken uit een particuliere collectie.

Emblemen
Wat we niet weten is of het leren van emblemen toen een vanzelfsprekend onderdeel uitmaakte van een goede opvoeding. Op de Latijnse school had je toen, net als nu, een leerprogramma en een systeem om de kwaliteit van de school te bewaken. De Staten van Holland benoemden daarvoor een commissie, waar onder andere de Leidse hoogleraren Vossius en Heinsius deel van uitmaakten. Deze commissie stelde een 'schoolordre' op waarin werd vastgelegd wat men moest leren. Maar in deze schoolorde wordt niets gezegd over het belang van emblemen. Hebben de hooggeleerde heren dat opzettelijk achterwege gelaten, of hebben ze er gewoon niet bij stilgestaan? Of lieten ze de beslissing om emblemen te behandelen over aan de individuele docent? Misschien ook moet de oorzaak worden gezocht in het typisch Hollandse calvinisme waarvoor het woord zoveel zwaarder telde dan het beeld.


Professor Vossius met Leidse studenten.

Latijnse school
De tentoonstelling in de UB laat zien wat je op een Latijnse school leerde. Het belangrijkste dat men zich daar moest eigen maken was het Latijn. Dat was tot ver in de negentiende eeuw de wetenschappelijke voertaal, zoals het Engels nu. Een leerling van de Latijnse school moest zien thuis te raken in de klassieke literatuur. Hij diende bekende gezegden en citaten van klassieke auteurs uit het hoofd te leren, hij moest brieven kunnen schrijven en toespraken kunnen houden die getuigden van zijn kennis van de klassieken. Er zijn allerlei schoolboeken bewaard waarmee de jongens zich de beginselen van het Latijn eigen konden maken. De Leidse UB heeft tientallen van zulke boeken in haar bezit. Sommige ervan zijn samengesteld door Leidse hoogleraren uit die tijd, zoals Vossius en Heinsius.

Rechtenstudie in Leiden
Over Pieter zelf is niet veel bekend. Het is zelfs niet zeker of hij wel een Latijnse school bezocht heeft. Het is ook denkbaar dat hij les heeft gehad van een huisleraar. Maar wel staat vast dat het schrift de weerslag biedt van wat een jongen in die tijd op de Latijnse school leerde. Ook wordt aangenomen dat Pieter een aantal jaren rechten gestudeerd heeft in Leiden. Dat hadden zijn vader en grootvader ook gedaan. Van Pieters studietijd is niets bewaard gebleven; zijn naam komt zelfs niet voor in de inschrijvingsregisters.

Belastingvoordeel voor studenten op alcohol
Hoe weten we dan dat Pieter in Leiden heeft gestudeerd? Tijdens zijn grand tour heeft hij in Bourges de doctorstitel behaald. Dat ging toen heel wat vlotter dan tegenwoordig. Pieter kwam in Bourges aan, maakte de volgende dag een afspraak en kon weer een dag later door een aantal doctoren van de rechtenfaculteit geëxamineerd worden. Hij moet dus voldoende juridische kennis hebben gehad om dit examen met goed gevolg af te leggen. Die kan hij alleen in Leiden hebben opgedaan. Waarom was hij dan niet ingeschreven? Je inschrijven aan een universiteit had alleen zin voor studenten die gebruik wilden maken van het belastingvoordeel dat studenten kregen op bier en wijn. Pieter echter is altijd welgesteld geweest; hij was jarenlang ambteloos burger met geen andere zorg dan het beheren van zijn kapitaal. Hij had blijkbaar geen behoefte aan de studentenkorting op alcoholische dranken.

Het boek Het schoolschrift van Pieter Teding van Berkhout, vergezicht op het gymnasiaal onderwijs in de zeventiende-eeuwse Nederlanden wordt op vrijdag 6 juli gepresenteerd bij de opening van de tentoonstelling Leren van emblemen.

(3 juli 2007, DH)