Wim Gerritsen: weggedreven van het Middelnederlands
|
|
Zijn leven lang al wordt Wim Gerritsen geboeid door wat hij in zijn oratie van 2002 noemde 'de menselijke omgang met schrift en teksten'. Meer dan dertig jaar werkte hij als hoogleraar Nederlandse letterkunde van de Middeleeuwen in Utrecht, en vervolgens zes jaar in Leiden, jaren die hij zelf beschouwt als 'een toemaatje op mijn universitaire loopbaan'. Als Scaliger-hoogleraar heeft Gerritsen studenten en docenten kennis laten maken met de rijke handschriftencollecties van de Leidse universiteitsbibliotheek. 'Ik ben de laatste jaren dus nogal weggedreven van het Middelnederlands, mijn Utrechtse leeropdracht', constateert hij vrolijk. Waarna hij uitweidt over de vele verrassende ontmoetingen die daarmee gepaard gingen, zowel met onbekende handschriften als met collega-onderzoekers uit de meest diverse disciplines.
Handschriftendemonstraties
Op donderdag 7 juni a.s. nemen Scaliger hoogleraar prof.dr. Wim Gerritsen en de directeur van het Scaliger Instituut, prof.dr. Paul Hoftijzer afscheid van het Scaliger Instituut. Beiden zijn zes jaar aan het instituut verbonden geweest. Gerritsen spreekt om 15.00 uur zijn afscheidscollege uit in de Lorentzzaal (Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Steenschuur 25) onder de titel Europa's leerschool: de zeven vrije kunsten in de Middeleeuwen. Een rondgang langs Leidse handschriften. In aansluiting hierop kan men in de universiteitsbibliotheek een kleine (eendaagse) tentoonstelling bezichtigen rond de besproken handschriften. De bijeenkomst wordt besloten met een receptie in de Noordhal van de UB waarbij afscheid kan worden genomen van Wim Gerritsen en Paul Hoftijzer. Aanmelden bij Kasper van Ommen
De afgelopen jaren gaf Gerritsen colleges editietechniek met Leidse handschriften als uitgangpunt. Daarbij leerde hij studenten hoe ze de tekst van een handgeschreven middeleeuws boek toegankelijk konden maken voor moderne lezers of onderzoekers. Daarnaast was hij een van de docenten van het universiteitsbrede bijvak wetenschapsgeschiedenis en verzorgde hij tientallen handschriftendemonstraties om studenten uit verschillende vakgebieden kennis te laten maken met middeleeuwse handschriften. Gerritsen: 'Als je mensen een middeleeuws handschrift laat zien, zijn ze vrijwel altijd onmiddellijk enthousiast. Ik vond dat altijd heerlijk om te doen. Wat ik wel jammer vind is dat het curriculum van de studie sinds de invoering van het bama-systeem zo dichtgetimmerd zit, dat er nauwelijks meer tijd is voor dit soort dingen. Ik heb altijd het idee gehad dat als je studeert bij een universiteit met zo'n prachtige handschriftencollectie als de Leidse, je daar tijdens je studie toch mee in aanraking zou moeten komen. Maar dat blijkt helemaal niet zo vanzelfsprekend. Maar het is natuurlijk mooi dat ik degenen die belangstelling hadden, het een en ander hebben kunnen laten zien.'
De zeven vrije kunsten

De zeven vrije kunsten, afgebeeld in de Hortus deliciarum van Herrad van Landsberg.
Vanzelfsprekend is ook in Gerritsens afscheidsrede een hoofdrol weggelegd voor de handschriften van de Leidse UB. Hij zal de zeven vrije kunsten, de artes liberales, waaruit de opleiding aan een middeleeuwse universiteit bestond, presenteren aan de hand van Leidse handschriften. Die zeven kunsten worden altijd bestudeerd vanuit een didaktisch perspectief, maar je kunt ze ook zien als een soort basis van de westerse wetenschap, vertelt Gerritsen. 'Ik kan bij elk van de zeven kunsten een vroeg handschrift laten zien, stammend uit de tiende, elfde of twaalfde eeuw, dus van voor de opkomst van de universteiten. Deze periode is relatief onbekend bij de geïnformeerde lezer. Men weet vaak wel iets van de tijd daarvoor, de Karolingische tijd tot ca. 1000, én van de tijd daarna, de late Middeleeuwen, maar veel minder bekend is dat daar nog een zeer formatieve periode tussen zit. Tussen ca. 1000 en 1300 werden de grondslagen gelegd voor de moderne wetenschap. Voor mijn afscheidsrede heb ik handschriften uitgezocht die allemaal iets laten zien van de dynamiek van de wetenschap van dat moment.'
Humanistenbibliotheek
Waarin verschilt de Leidse UB van de Utrechtse? De kern van de Utrechtse UB bestaat uit de door de stad in beslag genomen verzamelingen van kloosters en kerken, vertelt Gerritsen. De eerste boeken die de Leidse UB verwierf hebben een heel andere herkomst: ze zijn goeddeels afkomstig uit de bibliotheken van de humanistische geleerden die aangetrokken werden door de nog jonge Leidse universiteit. Zij bezaten handschriften op het gebied van wetenschap en werken van auteurs uit de Klassieke Oudheid. In de Leidse UB bevinden zich bijvoorbeeld vijftig Cicero-handschriften, wat uitzonderlijk veel is.
Mnemotechniek
In de Leidse UB bevindt zich ook een van de twee belangrijkste handschriften van de grote Romeinse lyricus Propertius (1e eeuw v. Chr.). Gerritsen ontdekte dat dit boek in het bezit moet zijn geweest van Richard de Fournival, een belangrijke dertiende-eeuwse Franse dichter. Gerritsens grote kennis van middeleeuwse methoden om dingen in het geheugen op te slaan, de mnemotechniek, bracht hem op het spoor van deze ontdekking. Richard de Fournival schreef een boek over de inrichting van een bibliotheek, die hij beschrijft als een tuin met perken. In die perken liggen een soort tabletten waar boeken op liggen. Hij geeft er een lijst bij met de titels van die boeken. Gerritsen: 'Deze beschrijving van Richard is altijd opgevat als een volstrekt hypothetisch gedachtenexperiment. Maar ik kwam erachter dat je die tuin met boeken moet beschouwen als een mnemotechnisch hulpmiddel, een manier om te onthouden welke boeken waar stonden. Zo kwam ik op het idee dat die lijst van boeken een catalogus zou kunnen zijn van Richard de Fournivals eigen bibliotheek. En we weten dat die bibliotheek na zijn dood aan het college van de Sorbonne is geschonken. In die bibliotheek kwam ook een Propertius-handschrift voor, waarvan is vastgesteld dat het in de bibliotheek van Vossius terecht is gekomen. En Vossius' bibliotheek is weer in de Leidse UB terecht gekomen.'

Het Propertius-handschrift uit de collectie van Vossius (collectie UB Leiden, VLO 38)
Samenwerking
Welke herinneringen aan de ruim 45 jaar die hij doorbracht aan de academie zijn hem het meest dierbaar? Opmerkelijk snel volgt het antwoord van de anders zo bedachtzaam formulerende wetenschapper: 'De samenwerking met Willem Wilmink.' Met Wilmink maakte Gerritsen (in samenwerking met een groep leerlingen) een editie van De Reis van Sinte Brandaan en verzorgde hij de uitgave Lyrische lente. Liederen en gedichten uit het Middeleeuwse Europa. Dat laatste boek is voorzien van transcripties en melodieën van de hand van Cees Vellekoop. Ook de samenwerking met deze (overleden) Utrechtse musicoloog roept kostbare herinneringen op. 'Ik geloof wel dat ik kan zeggen dat dat een van de dingen is die ik ingebracht heb: het samen met studenten en collega's, soms uit andere disciplines, aan projecten werken. Dat was relatief nieuw in de tijd dat ik daar (in de jaren zestig, red.) mee begon. En over de samenwerking met promovendi: 'Ik heb ze allemaal heel graag gemogen en dat doe ik nog, maar de samenwerking met enkelen van hen was toch wel heel bijzonder. Dat is fantastisch, dat je dat kunt doen, mensen inwijden in een vakgebied dat je zelf met zoveel enthousiasme beoefent, en ze dan mogen zien uitgroeien tot grootheden in hun vakgebied.'
Links
(5 juni 2007/DH)

