Holocaust in Nederland: 'We hebben het écht niet geweten'
'Wir haben es nicht gewußt'. Dit citaat wordt Duitsers in de mond gelegd die wel degelijk wisten wat er met de joden gebeurde. De Leidse historicus Bart van der Boom gaat aan de hand van oorlogsdagboeken na wat Nederlanders tijdens de bezetting dachten over het lot van de joden.
![]() Etty Hillesum. Collectie Joods Historisch Museum, Amsterdam. |
Sandalen
'Het enige echte bewijs dat we hebben voor wat mensen tijdens de oorlog dachten over wat er met de joden gebeurde, zijn de dagboeken uit die tijd. Daarvan zijn er honderden bewaard gebleven, zowel van joden als van niet-joden. Het probleem is dat die dagboeken niet altijd eenduidig zijn. Neem het beroemde dagboek van Etty Hillesum. Enerzijds blijkt uit haar dagboek dat ze vindt dat de joden zich geen illusies hoeven te maken. We gaan allemaal dood, schrijft ze. Maar elders in datzelfde dagboek schrijft ze ook dat ze voor ze op transport gaat nog naar de tandarts moet. En op een avondwandeling door Amsterdam realiseert ze zich dat ze niet alleen haar stevige schoenen mee moet nemen, maar ook haar sandalen.
Iemand die dat opschrijft, gaat er niet vanuit dat ze binnen een paar dagen dood is. En dat was wel de realiteit van vernietigingskampen als Auschwitz en Sobibor. Die waren opgezet om op een zo efficiënt mogelijke manier zoveel mogelijk joden te vermoorden.'
Grabbelton
Vuijsje maakte ook gebruik van oorlogsdagboeken, maar ging eenzijdig te werk, vertelt Van der Boom. 'Hij haalt er alleen maar die passages uit die suggereren dat men wist wat er met de joden gebeurde. Uit het dagboek van Etty Hillesum haalt hij dus alleen de passage naar voren waarin ze schrijft dat ze gelooft dat ze allemaal dood gaan, maar de passages over de tandarts en de sandalen laat hij onbesproken. Het is inherent aan het vak van de historicus van de moderne tijd dat hij te maken heeft met een enorme grabbelton vol feiten waar hij naar believen uit kan putten. Dan komt het er wel op aan om eerlijk te zijn en niet alleen die dingen eruit te halen die in de kraam van je theorie te pas komen. Ik vind dat Vuijsje de complexiteit van de problematiek totaal geen recht doet. Hij zet alleen de dagboekpassages bij elkaar die zijn stelling onderbouwen, en hij somt op wat er aan informatie over de vernietingingskampen door de illegale pers en de Britse radio werd verspreid. Daarmee is naar zijn mening aangetoond dat wie wilde weten, ook kón weten.'
![]() Briefkaart op 21 sept. om half elf uit de trein gegooid: ' 't Is 't einde we gaan. Erg slap, maar vol moed.' |
'Erg slap, maar vol moed'
De dagboeken en het gedrag van de joden zijn niet zo gemakkelijk in overeenstemming te brengen met Vuijsjes visie, constateert Van der Boom. Het staat vast dat tal van joden in Westerbork vol goede moed - soms zelfs zingend - in de trein naar Polen gestapt zijn. Van der Boom: 'Ze waren niet blij natuurlijk, maar vastberaden. Er zijn kaartjes uit die treinen gegooid die zeer ontroerend zijn, juist omdat ze getuigen van hoop: 'ik kom terug, al moet ik lopen' of 'erg slap, maar vol moed' (zie illustratie). Dat wijst erop dat deze mensen echt niet wisten welk gruwelijk lot ze te wachten stond. Bovendien: het was vrij gemakkelijk om uit Westerbork te ontsnappen. Van de circa 100.000 joden die in Westerbork hebben gezeten, heeft slechts een handjevol dat zelfs maar geprobeerd. Men was ervan overtuigd dat het buiten het kamp gevaarlijker was dan erbinnen. Buiten kon je worden opgepakt en dan wachtte je een erger lot dan als je netjes in het kamp bleef. Ook zijn er veel voorbeelden van mensen die de mogelijkheid hebben gehad om onder te duiken, maar besloten hebben dat niet te doen. Zulk gedrag is niet te rijmen met de verwachting van een zekere dood.'
Ook joden hebben geen idee
'Vuijsje zegt dan: dat de joden geen geloof hechtten aan die geruchten, komt voort uit machteloosheid. Ze konden niet anders dan zichzelf een rad voor ogen draaien. Deze visie overtuigt mij in het geheel niet. Juist de joden hadden er alle belang bij om deze kwestie goed te overdenken. Zij moesten handelen! Niet-joden konden hier misschien nog tamelijk vrijblijvend over nadenken en er met een zekere luchthartigheid over schrijven in hun dagboeken, maar dat gold niet voor de joden zelf. Ik denk dat de meeste joden wel degelijk hebben overwogen: wat zal ons lot zijn als we ons aan de regels houden? Maar bijna alle ego-documenten van joden duiden erop dat men geen idee heeft van wat er gebeurt.'
Mist van geruchten
'De vraag 'wisten gewone Nederlands van de holocaust?' is eigenlijk geen goede vraag. Wéten veronderstelt dat je iets kunt verifiëren, dat je er zekerheid over kunt verkrijgen. Dat kon in die tijd vrijwel niemand, behalve enkele zeer hoge nazi's. Er zijn in die tijd geen betrouwbare informatiebronnen. Ook de illegale bladen en de uitzendingen van de BBC zijn propagandistisch, dat realiseerde men zich wel. Iedereen leeft in een soort mist van geruchten, mythen en leugens. Bovendien is de term 'holocaust' een anachronisme, omdat die impliceert dat men de jodenvervolging als een op zichzelf staand verschijnsel ziet, wezenlijk anders dan het lijden van Polen, Russen, politieke tegenstanders, dwangarbeiders enzovoort. Maar dat besef ontbreekt nu juist; dat is pas in de jaren zestig gemeengoed geworden. Weliswaar gelooft bijna niemand dat de joden de gewone arbeidsinzet te wachten staat, maar daarom gelooft men nog niet dat het dús industriële massamoord is. Dat is voor de meeste mensen onvoorstelbaar.'
(1 mei 2007/DH)


