Bundel
Van kwaad tot erger. Het kwaad in de filosofie

Uitgeverij Het Spectrum, isbn: 978-90-274-4548-6, paperback, 361 pag., € 19.95
De vraag naar de inhoud van goed en kwaad is eigenlijk tweeledig. Enerzijds: wat is goed? Anderzijds: wat is kwaad? Die vragen zijn niet van elkaar te scheiden. Wie iets goed noemt, noemt bijgevolg ook iets kwaad, en andersom. Hoe dat komt is geen mysterie. Goed en kwaad zijn tegenovergestelde grootheden.
Het is wel degelijk zinnig de twee genoemde vragen onafhankelijk van elkaar te bestuderen, stellen de redacteuren in hun inleiding. De vraag naar het kwaad leidt de blik in een geheel andere richting en verheldert daardoor andere aspecten van het leven en de wereld dan de vraag naar het goede. Dat is de leidende gedachte achter dit boek. Centraal staat de vraag: wat is het kwaad? Waarom de vraag naar het kwaad en niet de vraag naar het goede? Omdat er over het goede veel meer gedacht en geschreven is dan over het kwaad, dat een hele tijd ‘uit beeld’ is geweest.
Op de vraag waar het kwaad vandaan komt of hoe het gekarakteriseerd kan worden, worden zeer uiteenlopende antwoorden gegeven. Het kwaad is te herleiden tot onwetendheid. Niemand handelt willens en wetens verkeerd (Socrates). Iemand kan willens en wetens voor het kwade kiezen (Kierkegaard). Het kwaad bestaat uit het willens en wetens ondergeschikt maken van de rede aan de zinnelijke begeerten (Aristoteles). Het kwaad ontstaat wanneer schepselen met een vrije wil zich afwenden van God ten bate van door hen hoger geachte maar in feite inferieure zaken (Augustinus). Het ontluikt telkens als mensen hun eigenliefde boven de moraal stellen (Kant). De wereld als geheel is goed en het kwaad speelt slechts op individueel niveau een rol. Het individuele kwaad is een bijkomstig tekort van de handelende persoon (Thomas van Aquino). De mensen zijn niet over de hele linie slecht maar ze zijn doorgaans makkelijk te corrumperen. De mensen zijn zo geschapen dat hun verlangen naar het verkrijgen van zaken altijd groter is dan hun mogelijkheden om die zaken te verkrijgen, hetgeen in ontevredenheid resulteert. De oorsprong van ondeugd en het kwaad gelegen is in de vrije tijd. (Machiavelli). Het a-specifieke kwaad bestaat in de maatschappijvormen van tirannie of anarchie. Het specifieke kwaad bestaat in afwijkende ideeën van burgers over moraal, godsdienst en staatsinrichting en de daaruit resulterende aantasting van het wettig gezag (Hobbes). Het kwaad schuilt slechts in de weerspiegeling van onze angst voor door ons als bedreigend ervaren dingen (Spinoza). Het kwaad is de perceptie door mensen van een vermindering van hun geestkracht, niet een natuurlijk defect van bepaalde dingen (Spinoza). Een kwaad brengt vaak iets goeds tot stand dat zonder dat kwaad niet verwezenlijkt zou zijn. God schiep de best mogelijke wereld (Leibniz). Elke theodicee (verdediging van de rechtvaardigheid van God) leidt onherroepelijk tot het goedpraten van het pijn lijden van de ander (Levinas). Het kwaad is vooral het sociale kwaad dat de mensen elkaar aandoen door samen te leven in suboptimale instituties en praktijken. Het onderscheid tussen goed en kwaad is een onderscheid dat de rede niet kan maken (Hume). De mens is van nature goed en het is de beschaving die hem slecht maakt (Rousseau). De mens heeft met zijn eigenliefde en eigenbelang een diepgewortelde aangeboren hang naar het kwaad (Kant). Ondanks het feit dat hij gedreven wordt door eigenbelang is de mens noch goed noch kwaad (Hobbes). Het kwaad is niet volkomen te begrijpen. Het enige onvoorwaardelijk goede aan de mens is zijn goede wil (Kant). Kwaad is het uit angst en vertwijfeling niet jezelf willen zijn en in plaats daarvan je verantwoordelijkheden ontlopen. De zonde is er niet in gelegen dat de mens het goede niet begrepen heeft maar dat hij het goede niet wil begrijpen en dat hij het goede niet wil (Kierkegaard).
Goed en kwaad zijn niet voor eens en voor altijd te identificeren. Verder zijn het geen objectieve waarheden maar slechts subjectieve interpretaties onzerzijds. Het goede is een vrucht van de creativiteit van de rede en het slechte is niet het zondige of immorele, maar het domme, fantasieloze of minderwaardige. Slecht is ook de moraalridder die voortdurend anderen aanklaagt. Anderen schaamte willen berokkenen, kwaadspreken en leedvermaak zijn vormen van wreedheid (Nietzsche). Kwaad is een exces dat alle grenzen en ervaringen te buiten gaat en een ervaring van nutteloos lijden. We kunnen het kwaad niet willen, het overkomt ons. Het kwaad doet ons verlangen naar het goede (Levinas). Het kwaad is het resultaat van de volstrekte afwezigheid van enige vorm van zelfstandig nadenken. Het is een illusie dat het kwaad altijd herkenbaar is (Arendt).
Alle in dit boek verzamelde opstellen zijn uitgewerkte versies van lezingen die in 2005 zijn gehouden voor het Studium Generale van de Universiteit Leiden, waaraan beide redacteuren zijn verbonden, Andreas Kinneging als voorzitter en Rob Wiche als hoofd.
(17 april 2007/SH)
