Afscheidscollege van een


Triclinium (eetzaal) met eters aan het avondmaal. Fresco uit Pompeji, vóór 70 n.C. Archeologisch Museum te Napels.

Afscheidscollege van prof.dr. H.J. de Jonge: vrijdag 13 april, 16.15 uur
Kamerlingh Onnesgebouw, grote collegezaal

De gemeenschappelijke maaltijd van christenen in de eerste eeuw
Al heel vroeg, in de jaren 30 of 40, werden het brood en de wijn van het christelijke avondmaal geïnterpreteerd als het lichaam en bloed van Christus. Toch is deze interpretatie niet de oudste achterhaalbare, en een deel van de traditie is er vrij van gebleven. Er is een oudere vorm van avondmaalsviering geweest, die reconstrueerbaar is uit Paulus' eerste Brief aan de Korintiërs en de Didache, een tweede-eeuws geschrift. Die vroegste vorm kwam voort uit het algemene gebruik van het periodieke verenigingsmaal met symposium na afloop. Deze oorsprong verklaart elementen als de voorlezing, de samenzang en toespraak of preek. De Jonge beschrijft de veranderingen in de vroege eerste eeuw, en de bijbehorende nieuwe interpretatie: Jezus' woorden: 'Blijf dit doen om mij bij u op te roepen'

waakhond

Henk Jan de Jonge, hoogleraar Nieuwe Testament in de faculteit der Godgeleerdheid, geeft vrijdag 13 april zijn afscheidscollege. Een periode van 'evenveel tijdsbeslag, maar minder stress' breekt voor hem aan. De Jonge blijft zijn laatste studenten en promovendi begeleiden. En omdat men niet anders van hem gewend is dan dat hij zich inzet voor de universiteit is hij onmiddellijk gevraagd voor een aantal universitaire en bovenuniversitaire commissies. Zijn grote onderzoeksproject over Erasmus en diens Spaanse opponent Stunica, waar hij in de vroege jaren '80 al aan begonnen is, zal nog heel even moeten wachten. Hoe kijkt hij terug op onderwijs en onderzoek?

'In Leiden werken op het terrein van de godgeleerdheid is een voorrecht', zegt De Jonge. 'De theologische faculteit is een kleine faculteit, waarin de verhoudingen sinds lang weldadig goed zijn, en waarin op alle fronten hard wordt gewerkt.' En: 'Over godsdienst wordt over het algemeen heel weinig en daardoor moeizaam gesproken. Behalve door die-hards onder de gelovigen en onder de atheïsten. Wij hebben als faculteit het instrumentarium om mensen erover te leren spreken.'

Metamorfose
Tweemaal sinds 1994 was hij decaan van de faculteit, die op onderwijsgebied sinds de jaren negentig een flinke metamorfose heeft ondergaan. In 1999 kwam naast de traditionele opleiding Godgeleerdheid de opleiding Wereldgodsdiensten erbij, voor studenten die zeker weten dat ze geen predikant willen worden maar wel het verschijnsel godsdienst willen bestuderen. In 2006 startte de opleiding Islamitische theologie. Het idee is dat daar een ambtsopleiding op volgt voor wie islamitisch geestelijk verzorger of imam wil worden. De twee jongste opleidingen brengen een nauwe samenwerking met de letterenfaculteit met zich mee, omdat een diepgaande kennis van de relevante talen geëist wordt.

Diversificatie
Is de faculteit erdoor veranderd? De Jonge: 'Door de diversificatie in het opleidingenaanbod zie je ook een diversificatie optreden in de populatie van de diverse opleidingen. Vroeger zat iedereen bij elkaar, wat een heel aardige mix gaf. De populaties worden nu wat homogener. De gewone opleiding Godgeleerdheid is meer een typische predikantenvooropleiding geworden dan hij was. Studenten in de Islamologieopleiding hebben veelal een islamitische achtergrond, en studenten Wereldgodsdiensten hebben vaak helemaal geen religieuze achtergrond. Ze hebben een andere betrokkenheid bij het onderwerp van hun studie, nemen daar gemakkelijk distantie van. Overigens gaan deze groepen studenten allemaal heel goed met elkaar om. Wat dat betreft is de faculteit wel een eenheid.'

Methodisch agnosticisme


Prof. dr. Henk Jan de Jonge: 'We hebben de functie van waakhond, we moeten voorkomen dat iedereen er met die teksten vandoor gaat. Maar we willen ook nieuwe paradigmata aanreiken.'
Methodisch kennen alle opleidingen in de theologische faculteit dezelfde, wetenschappelijke benadering, benadrukt De Jonge. En vakken als godsdienstwetenschap volgen ze samen. Geloofsovertuigingen spelen binnen het onderwijs geen rol. Binnen de faculteit bestaat daar een mooie technische term voor. Studenten en docenten betrachten, ongeacht hun eigen overtuigingen, voor de duur van onderzoek of onderwijs een tijdelijk methodisch agnosticisme.

Historisch-kritisch
De dominante onderzoeksmethode in de Leidse bijbelwetenschappen is de historisch-kritische methode, waarmee de onderzoeker de bedoeling van de auteur voor zijn oorspronkelijke publiek wil achterhalen. Zelf doet De Jonge vooral onderzoek naar de ontstaansgeschiedenis van het christendom, dat is voortgekomen uit het jodendom, en vervolgens werd verspreid en doorontwikkeld onder niet-joden in de Grieks-Romeinse wereld. Zijn dagelijks werk: de vroegste bronnen fileren, de taal doorgronden, bronnen vergelijken, en de gebeurtenissen en het gedachtegoed in hun historische context plaatsen. Zich afvragen: welke versie is ouder, en wat zijn latere elementen?

Verschuivende contexten
De Jonge: 'Sinds de jaren zestig zijn er steeds intensievere pogingen geweest om de teksten uit te leggen in de context van de ontstaanstijd. Maar die context verschoof wel steeds. In de jaren zestig en zeventig keken we vooral naar de contemporaine Hellenistisch-joodse literatuur. In de jaren zeventig was de context de Grieks-Romeinse maatschappij, en kwamen er sociologische vormen van bijbeluitleg. In de jaren tachtig ging men mede kijken naar niet-canonieke vroegchristelijke geschriften. Naar gnostische teksten, apocriefe teksten. En de jongste ontwikkeling is het onderzoek naar de materiële cultuur van de eerste eeuw.'

Waakhond
Buiten de faculteit der Godgeleerdheid staat de historisch-kritische methode onder druk, onder invloed van de Duitse filosoof Gadamer en diens aanhangers, die het principieel onmogelijk achten de historische betekenis van een tekst vast te stellen. In hun visie betekent een tekst in nieuwe situaties telkens iets nieuws. De Jonge: 'Bij veel literatuurwetenschappers is de historisch-kritische methode niet meer in zwang. Wij vinden echter dat de antieke teksten moeten worden uitgelegd zoals de auteur ze bedoelde, hoe lastig dat ook is. En het ís lastig, maar dat is een praktisch, geen principieel probleem. We hebben de functie van waakhond, we moeten voorkomen dat iedereen er met die teksten vandoor gaat. Maar we willen ook nieuwe paradigmata aanreiken. Ideeën die in de loop van de tijd verloren zijn gegaan, maar waardevol kunnen zijn.'

Vreemde eend


Een inscriptie uit Caesarea bevat de naam van Pontius Pilatus, prefect van Judea van 26 tot 36 n.C.
Binnen de wetenschap zijn controverses over methoden en benaderingen normaal. Een lastiger complicatie voor iedere godsdienstwetenschapper is dat de bronnen die hij zo kritisch analyseert tegelijkertijd de heilige bronnen van een religie zijn, in het geval van De Jonge die van het christendom. Dat is niet altijd gemakkelijk voor gelovigen in en buiten de collegebanken. Binnen de muren van de wetenschap werkt dat tijdelijk methodisch agnosticisme wel, maar daarbuiten stuit de kennis vaak op weerstand. Aan de andere kant roepen collega's uit andere faculteiten vaak sceptisch tegen theologen van wie bekend is dat ze daarnaast praktiserend christen zijn: 'Als je dat allemaal weet, hoe kun je dan in vredesnaam nog geloven?' Zijn faculteit wordt vaak toch gezien als vreemde eend in de bijt. De Jonge: 'Steeds opnieuw moeten we de non-discussie voeren over de verifieerbaarheid van God.'

Godsdienst als verschijnsel
Hij vervolgt: 'De theologische faculteit is als alle andere faculteiten, al zien sommige mensen dat slecht. We bedrijven hier wetenschap volgens dezelfde regels als in andere faculteiten. De vrucht van ons werk zijn hypothesen, die waar zijn zolang ze niet zijn gefalsifieerd. Maar we hebben een ander onderwerp dan de andere faculteiten: namelijk het verschijnsel godsdienst. Iedere faculteit heeft afnemers, en ook wij. Dat zijn deels kerken en religieuze organisaties. Maar we zijn geen constructieplaats van geloof. Op dat punt hebben we geleerd zorgvuldiger te zijn dan welke faculteit ook.'

Op eigen rekening
Beide partijen, zowel gelovigen als atheïsten, die iets anders verwachten of veronderstellen, gaan uit van hetzelfde misverstand, meent de Jonge. Namelijk dat geloof afhankelijk is van historische feiten. 'Gelovigen en ongelovigen moeten ophouden te denken dat geloof gelegitimeerd wordt uit feiten. Ik heb altijd tegen studenten gezegd: als je gelooft, doe het dan op eigen rekening en niet op rekening van antieke schrijvers. Die hadden zelf ook geen legitimatie.'

De Jonge: 'Geloof is een vertrouwen dat voortkomt uit de wil om te vertrouwen. Mensen creëren zich een symbolisch universum, en beschouwen dat als dominant en richtinggevend. Dat is veel ruimer dan de empirische werkelijkheid, en is niet gebaseerd op historische feiten en al helemaal niet op wonderen. Er is kennelijk iets tussen Jezus en zijn tijdgenoten geweest dat die tijdgenoten ervan heeft overtuigd dat ze zijn prediking moesten voortzetten. Die geschiedenis, een minimaal noodzakelijke combinatie van gegevens, is nodig om niet in totale willekeur terecht te komen. Maar niet om de waarheid van het geloof te bewijzen.'

Prof. dr. Henk Jan de Jonge (1943) studeerde klassieke talen in Leiden (doctoraal cum laude in 1969) en promoveerde in 1983 (cum laude) eveneens in Leiden. Sinds 1970 was De Jonge werkzaam aan de UvA. In 1985 kwam hij naar Leiden, waar hij in 1991 hoogleraar werd in het Nieuwe Testament en de vroeg-christelijke literatuur. In de academische jaren 1994-96 en 2002-05 was hij decaan van de Faculteit der Godgeleerdheid. Op 28 april 2006 werd hij Ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw.
Zie voor meer dan de basisfeiten:
webpagina prof. dr. H.J. de Jonge
en
Publicaties (full text)


8 februari 2005. Prof. Henk Jan de Jonge hangt, als decaan, eredoctor H.M. koningin Beatrix de kappa om.

Het lege graf
Neem het Paasverhaal, over de opstanding van Jezus. De kern van de hele christelijke boodschap. De Jonge heeft erover gepubliceerd. Hij vertelt: 'In de tweede en eerste eeuw voor Christus en de eerste eeuw erna leefde onder bepaalde groepen joden het besef dat iemand die had geleefd overeenkomstig Gods wil, en daarom werd vermoord, door God niet in de steek werd gelaten. Zo'n martelaar werd, uiteraard alleen volgens zijn aanhangers, met zijn geestelijk lichaam onmiddellijk in de hemel bij God verhoogd. Als een soort rehabilitatie. Jezus' volgelingen geloofden dat ook: God had Jezus na zijn dood bij zich opgenomen. En zijzelf deelden in die verhoging.

Volks
Dit was wat men dacht over de opstanding van Jezus in de jaren dertig tot vijftig van de eerste eeuw, en in deze traditie staat Paulus. Maar vanaf het evangelie van Marcus wordt dit gecombineerd met het idee dat het aardse lichaam het graf heeft verlaten. Dat was concreter, en sloot aan bij niet-joodse en meer volkse veronderstellingen van ten hemelopneming. Uit die tijd dateert het beeld van het lege graf. Marcus zelf had niet eens het gevoel dat hij iets toevoegde. Via Marcus is dit verhaal in de andere evangeliën terechtgekomen. Paulus' versie, dus zonder het lege graf, is ook in andere geschriften van het Nieuwe Testament bewaard gebleven. Het interessante is dat het lege graf in geen van de belijdenisgeschriften van de kerk voorkomt, van de antieke bronnen tot en met de zestiende eeuw. Daarna is het lege graf wel gebruikt als bewijs van de waarheid van de christelijke religie, bijvoorbeeld door Hugo de Groot.'

De Jonge: 'Opstanding en hemelvaart waren geen metaforen, zoals soms wordt gedacht. Het was volgens hen echt gebeurd. Het paste in hun wereldbeeld, maar niet meer in het onze. Nu moeten we het in een transcendente werkelijkheid plaatsen.'

Links

(3 april 2007/HP)