De uitvinding van de Nederlander


The Dynamics of Identity in the Low Countries, 1300-1600.
Towards a Comparative Perspective
Leiden, 29-31 March 2007

International colloquium organised by
the History Department of
Leiden University

Wie Nederlander is, voelt zich meestal ook Nederlander. Bij niemand is dat gevoel de hele dag aanwezig, en velen voelen zich daarnaast ook nog Limburger, Europeaan, Marokkaan of wereldburger, maar dat er zoiets als een nationale Nederlandse identiteit bestaat lijkt vanzelfsprekend. 

Maar nationale identiteiten zijn niet vanzelfsprekend. Iedere nationale identiteit is ooit onder bepaalde historische omstandigheden uitgevonden, en vaak zelfs doelbewust van bovenaf gecommuniceerd. Historici bestuderen deze processen al een jaar of dertig. Maar wanneer en hoe is de Nederlandse nationale identiteit ontstaan? De Leidse historici dr. Robert Stein (middeleeuwen) en dr. Judith Pollmann (16e en 17e eeuw) organiseren van 29-31 maart een internationaal colloquium over deze vraag, ter afsluiting van een onderzoeksproject naar de mechanismen van identiteitsvorming in de Lage Landen in de middeleeuwen en de vroeg moderne tijd.

Vreemde overheerser
Pollmann doet onderzoek naar de late zestiende en de zeventiende eeuw, dus ook naar de Opstand tegen de Habsburgers onder Willem van Oranje. Pollmann: 'Het is natuurlijk niet zo'n gekke gedachte dat de Nederlandse identiteit iets te maken heeft gehad met die Opstand. Historici hebben hem daar ook altijd wel mee in verband gebracht. Heel lang is gedacht dat de Nederlanden in opstand kwamen, omdat ze geen vreemde overheerser meer wilden. Maar de laatste decennia is het idee ontstaan dat het ontstaan van 'Nederlanderschap' eerder het gevolg is geweest van die Opstand dan de oorzaak ervan. En daar vinden we steeds meer aanwijzingen voor.'


de Lage Landen onder de Bourgondische vorsten, ca. 1450.
De westelijke gewesten, zogenoemde kerngewesten zijn rood, de andere Bourgondische gewesten grijs

Propaganda
De uitvinding van een Nederlandse identiteit was het resultaat van een geslaagde propagandacampagne van Willem van Oranje en zijn aanhang, vertelt Pollmann: 'Willem van Oranje heeft actief gepropageerd dat er zoiets was als het Nederlandse vaderland. Het "lieve vaderland" moest worden verdedigd tegen vreemde overheersers. Het territoriale gebied waar hij het over had was nog maar net verenigd door de Habsburgers zelf. En het was niet eens duidelijk waar het precies ophield.'

Godsdienstoorlog
Een van de belangrijkste motieven van Willem van Oranje om deze vaderlandsliefde in het leven te roepen was dat hij de indruk wilde vermijden dat de Opstand een godsdienstoorlog was. Pollmann: 'Het was een retorische truc, passend in de mediaoorlog die in de zestiende eeuw werd gevoerd. Willem van Oranje wilde niet zeggen: dit is een oorlog tussen protestanten en katholieken. Dan zou hij de Calvinisten wel meekrijgen, maar niet de katholieke meerderheid. Het was veel effectiever om het conflict te presenteren als een vrijheidsoorlog tegen een vreemde overheerser. De truc was deels geleend uit Frankrijk. In de Franse godsdienstoorlogen gebeurde precies hetzelfde. "We doen dit voor Frankrijk, niet voor de religie", zeiden de Franse protestanten. Maar ook in Duitsland beweerden de Lutherse prinsen dat ze de Duitse vrijheid verdedigden tegen een vreemde, Spaanse keizer.'

'Goede Nederlanders'
Het 'lieve vaderland' had echter nog maar net in de harten postgevat, of het viel alweer uit elkaar, in de Noordelijke Nederlanden en de Habsburgse gebieden in het Zuiden. Pollmann: 'Beide partijen bleven nog vasthouden aan het idee: we horen eigenlijk bij elkaar. Maar anderzijds zat de vijand ook onder het eigen volk. Ik ben erg geïnteresseerd in het vergelijken van ideeën over Nederlanderschap in het Zuiden en in het Noorden. In het Zuiden duidde men de vijand aan als "Hollanders" en Geuzen. Daarmee werden andere Noorderlingen dus vrijgepleit. En in het Noorden leefde de gedachte dat  de "goede Nederlanders"in het Zuiden op hun bevrijding zaten te wachten. Wie die bevrijding niet wilde die was geen Nederlander maar "verspaanst". Zowel in Noord als Zuid werd de fantasie levend gehouden dat de andere kant wachtte op bevrijding en hereniging.'

Euro
Mediëvist Robert Stein: 'Die scheidslijn tussen Noord en Zuid, die we nu eigenlijk nog steeds als heel bepalend zien, was vóór de Opstand helemaal niet zo prominent aanwezig. Je kunt de Lage Landen dan veel beter indelen in Oost en West. Sleutel is dan de vereniging van de "kerngewesten" Vlaanderen, Brabant, Holland, Zeeland en Henegouwen door de Bourgondische hertogen in de jaren 1425-1433. In de veertiende en vijftiende eeuw ontstond in de westelijke landen een soort gemeenschappelijke cultuur en economie. Hoe meer je gaat kijken, hoe meer aanwijzingen daarvoor zijn. Zo werd een gemeenschappelijke munt geïntroduceerd, de Vierlander, namelijk van de vier gewesten Holland/Zeeland, Vlaanderen, Brabant en Henegouwen. Ik vergelijk het altijd met de euro: een monetaire unie als opstapje naar verdere eenheid. Cruciaal was dat de toenadering op betrekkelijk vrijwillige basis tot stand kwam. Het Noorden en Oosten werd pas een eeuw later met de rest verenigd door verovering. Gelre en Brabant vielen daardoor wel samen onder één heerser, maar tussen beide hertogdommen had eeuwenlang een vijandschap bestaan.'

Mozaïek
Stein heeft het moeilijker dan Pollmann in zijn zoektocht naar een Laaglandse identiteit in de Middeleeuwen. In de eerste plaats moet hij zich altijd verdedigen tegen historici van de 19e en 20e eeuw die menen dat je voor 1800 überhaupt nooit over een nationale identiteit kunt spreken. Maar bovendien bestonden de Nederlanden in de vijftiende eeuw simpelweg nog niet. In 1450 waren de Lage Landen een personele unie, een mozaïek van gewesten, graafschappen, hertogdommen en heerlijkheden, verenigd onder een vorst met een heleboel titels. Er was niet eens een algemeen geaccepteerde naam voor het gebied. Pas vanaf het midden van de 16e eeuw kwam de aanduiding 'Zeventien Provinciën' of 'Zeventien Nederlanden' in zwang.

Communicatiebeleid
Is het dan geen zelfkwelling, vijf jaar lang zoeken naar een overkoepelende identiteit in dat zootje ongeregeld? Stein: 'Van modernistische historici mag het absoluut niet. Maar hoe meer je gaat kijken in die Middeleeuwen, hoe meer je ziet dat identiteiten toch wel erg belangrijk waren. Je ziet ook dat heersers een bewust communicatiebeleid voerden om een territoriale loyaliteit en identiteit wakker te maken. Al was het alleen maar om hun onderdanen een reden te geven om mee te betalen aan oorlogen. De Bourgondiërs waren daar heel actief in.'

 
De 'zeventien Nederlanden' in Ludowico Guicciardini's  Descrittione di tutti i Paessi Bassi (Antwerpen 1581). Leiden Universiteitsbibliotheek 1013 A 3.

Centraal het vorstelijke wapen en Brabant. Dan met de klok mee, van links boven af: Vlaanderen, Holland, Zeeland, Antwerpen, Luxemburg, Namen, Groningen, Utrecht, Overijssel, Limburg, Mechelen, Zutphen, Friesland, Gelre, Henegouwen, Artesië.

 

 
De 'zeventien Nederlanden' volgens Jan van der Noot, Lofsang van Braband - Hymne de Braband (Antwerpen 1580), p. 25. Leiden Universiteitsbibliotheek 1367 C 28, p. 25.

Centraal: Brabant. Dan van linksboven met de klok mee: Luxemburg, Gelre, Vlaanderen, Holland, Zeeland, Artesië, Namen, Henegouwen, Overijssel, Friesland, Valenciennes, Utrecht, Mechelen, Doornik (stad), Doornik (gewest), Rijsel

Terugprojecteren
'Je moet natuurlijk oppassen voor teleologisch denken', haast Stein zich erbij te vertellen. 'Er is een belangrijk verschil tussen Frans en Engels onderzoek. Franse historici hebben de neiging sterk teleologisch te denken, en de wortels van "ons Frankrijk" zo diep mogelijk terug te projecteren, tot in de 13e eeuw. De Engelsen doen het heel anders. Die kijken meer naar processen, die kijken hoe mechanismen werkten in de territoriale eenheden die tóen bestonden. Dat is ook de manier waarop wij te werk gaan. Door op dit soort dingen te letten ga je met een andere blik naar die middeleeuwen kijken. De identiteit van Brabant of Gelre, die je al heel duidelijk ziet in de 13e eeuw, was natuurlijk geen voorloper van een latere Nederlandse identiteit. En je ziet de Nederlanden zoals die in 1580 op de kaart staan niet al in voorafspiegeling in 1450.'

Netwerken
Op het niveau van de vorstendommen was dus al in de dertiende eeuw sprake van een nationale identiteit avant la lettre, en Bourgondische vorsten deden in de vijftiende eeuw erg hun best om een overkoepelende Bourgondische identiteit in te prenten. Maar in lezingen over de ontluikende gemeenschappelijke cultuur van de westelijke gewesten vermijdt Stein het 'i-woord' meestal zorgvuldig: 'Het was een Culture-area, met bovengewestelijke netwerken. Je ziet Rederijkersfeesten, je ziet de neiging tot één munt, je ziet de Beeldenstorm zich razend snel verspreiden, terwijl dat in het Oosten veel minder, of veel later gebeurde. Een heel boeiend fenomeen was de universiteit van Leuven, de oudste universiteit van de Nederlanden. Rond 1500 kwam 95% van de studenten uit de Nederlanden en 84% uit de kerngewesten. Maar was er daarmee sprake van een gemeenschappelijke 'westlandse' identiteit? Ik denk het niet, dit zijn eerder uitingen van een gemeenschappelijke cultuur.'

Herkenbaarheid
Een culturele en economische verbondenheid brengt dus niet automatisch een gemeenschappelijke identiteit met zich mee. Maar het is wel degelijk de moeite waard de late Middeleeuwen te bestuderen met het woord 'identiteit' in het achterhoofd, vindt ook Pollmann: 'Er was iets gaande in die vijftiende en zestiende eeuw. De Britse historicus Alastair Duke laat zien dat men probeert de landen onder een gezamenlijke noemer te brengen. Er ontstaan termen voor het gebied die wat stabieler worden, er ontstaat een soort herkenbaarheid.'

Zeventien
De aanduiding 'Zeventien Provinciën', die in de loop van de zestiende eeuw opgang deed, past in die ontwikkeling. 'Met dat getal 17 is trouwens iets geks aan de hand', zegt Stein. 'Het was een symbolisch getal. Huizinga is de eerste die dat heeft gezien. Er waren geen 17 provinciën. Nationalistische historici uit de negentiende en twintigste eeuw hebben zitten tellen en tellen, maar konden slechts met allerlei kunstgrepen aan dat aantal komen. Maar ook uit de zestiende eeuw zelf zijn wel acht verschillende interpretaties bekend van wat die 17 provincies dan waren. Pas rond 1580 kreeg één daarvan de overhand. Het getal 17 als symbolisch getal bestond al langer. Al in de vijftiende eeuw werd het gebruikt voor de bezittingen van de Bourgondische hertogen, en ook toen al waren er verschillende interpretaties in omloop. En al in de negende eeuw werd gesproken over Friesland, dat ingedeeld zou zijn in zeventien gebieden. Ik ga verder dan Huizinga, die 17 vooral zag als aanduiding van een niet al te groot, niet nader omschreven aantal. Maar zeventien, als som van 10 en 7, was niet zomaar een getal. Het had al in het vroege christendom belangrijke positieve connotaties: de eenheid van het christendom, de eenheid tussen het Oude en het Nieuwe Testament, de samenhang tussen wet en genade. Naar die connotaties in verband met de Nederlandse Republiek moet veel meer onderzoek gedaan worden.'

Links

(20 maart 2007/HP)