'Er liggen hier nog veel meer schedels'

De restaurateurs van het Academiegebouw stuitten bij hun werkzaamheden in de Gewelfkamer op het skelet van een man en op twee schedels, een van een man en een van een vrouw. De Gewelfkamer ligt meteen links van de ingang van het Academiegebouw. 'Dit waren weldoeners of biechtvaders', vermoedt bouwhistoricus Jan Dröge.

Vierkante oogkassen
'Kijk', wijst Dröge, 'hier zijn ze gevonden.' Hij loopt naar een rechthoekig gat van ongeveer een meter diep in de hoek rechtsachter in de Gewelfkamer. 'Vorige week troffen we hier op 1.85 meter onder de houten vloer een skelet aan met de resten van het ijzeren beslag van de grafkist ernaast. In een hogere laag vonden we twee schedels. Het skelet was van een man, de schedels behoorden toe aan een man en een vrouw. Dat zie je aan de vorm van de oogkassen; mannelijke oogkassen zijn iets vierkanter dan die van vrouwen. En ook aan de breedte van de kaak en de vorm van de jukbeenderen kun je het geslacht meestal wel zien. Veel meer kunnen we er nog niet over vertellen. Het skelet en de schedels moeten nader onderzocht worden om er meer over te kunnen zeggen, bijvoorbeeld over hoe oud ze zijn.'

Weldoeners of biechtvaders
Dröge is ervan overtuigd dat er onder het vloeroppervlak van de Gewelfkamer nog veel meer botten en schedels liggen. Voordat het Academiegebouw in 1581 door de universiteit in gebruik werd genomen, was het de kapel van het klooster van de Witte Nonnen, gebouwd in 1507. In de jaren tussen 1507 en 1581 werden in deze kapel mensen begraven. Welke mensen dat waren, is onbekend en zal ook niet meer achterhaald kunnen worden. Er zijn geen begraafboeken van de kapel bewaard gebleven. Het is goed denkbaar dat de resten afkomstig zijn van weldoeners van het klooster of van biechtvaders van de Witte Nonnen.

Bij de restauratie van 1912-1915 zijn in totaal 23 grafzerken aangetroffen. Deze zijn toen overgebracht naar Stedelijk Museum De Lakenhal. De zerken dateren uit de periode 1465 tot 1556. Zes ervan stammen uit de periode voor 1507, het bouwjaar van de kapel.

Luchtbehandeling
Waarom is men op deze plek rechtsachter in de Gewelfkamer gaan graven? Dröge: 'Enerzijds uit nieuwsgierigheid, omdat we voor het bouwhistorisch onderzoek wilden weten hoe de pilaar rechts achterin de ruimte gefundeerd was. Maar er was ook een praktische reden. Er moest een verbinding gemaakt worden van de Gewelfkamer met het Groot Auditorium om een voorziening voor verwarming en luchtbehandeling te kunnen maken.'

Meer schedels en skeletten
Gaat men nu de rest van de vloer ook openmaken om de overige skeletten en schedels op te graven? Dat niet, vertelt Dröge. Het gaat om de renovatie van het Academiegebouw, en niet om archeologisch onderzoek. Bovendien zijn die botten en schedels ook niet zo heel interessant. Het is min of meer wat je verwacht op een plek als deze en het zal nauwelijks nieuwe historische inzichten in de geschiedenis van het gebouw opleveren. Wanneer er tijdens renovatiewerkzaamheden als deze 'per ongeluk' iets bijzonders wordt gevonden, is de opdrachtgever wel verplicht om de stadsarcheoloog in kennis te stellen, vertelt Dröge. Hij of zij bepaalt wat er verder moet gebeuren. De resten bevinden zich op dit moment dan ook bij de Stadsarcheologische Dienst van de gemeente Leiden. Chrystel Brandenburgh, stadsarcheoloog van Leiden en afgestudeerd aan de Leidse universiteit, verricht nader onderzoek.  


Het Academiegebouw, een gebouw met een rijke bouwhistorie.

De bouwhistoricus
Jan Dröge is als bouwhistoricus betrokken bij de renovatie van het Academiegebouw. Wat is de taak van een bouwhistoricus hier? Dröge: 'Wanneer je een gebouw met een rijke historie zoals het Academiegebouw gaat renoveren, moet je ook kijken naar de bouwhistorie. Daarmee kun je voorkomen dat er historisch waardevolle zaken verloren gaan. Niet alleen materiële objecten, maar ook kennis. Bij renovaties, verbouwingen of het slopen van panden kan kennis verloren gaan over hoe de gebouwen indertijd gebouwd zijn, welke technieken er gebruikt zijn en hoe ze er precies hebben uitgezien. De bouwhistoricus kan beoordelen wat waardevol is en adviseert hoe men het beste kan handelen in bouwhistorisch opzicht.'

(27 februari 2007/DH)