Filmmaakster, nu onderzoekster


Itandehui Jansen
Zelf films maken of onderzoek doen naar films? Itandehui Jansen kan en wil niet kiezen. Vorige maand presenteerde ze haar eerste grote documentaire El Rebozo de mi Madre op festivals in de Verenigde Staten en haar moederland Mexico. Vrijwel tegelijkertijd klonk het startschot voor het promotieonderzoek dat ze aan de Universiteit Leiden gaat doen naar verteltechnieken in de transnationale cinema. Ze kreeg daarvoor een mozaïeksubsidie van NWO.

Kruispunt van culturen
Globalisering is overal voelbaar, ook in de filmwereld. Er verschijnen steeds meer films met een 'multiculturele' inslag die een weefwerk zijn van verschillende werelden en culturen. Zoals Babel (2006) waarin Mexicaanse, Japanse, Marokkaanse en Amerikaanse elementen zijn verwerkt. Of Paradise Now (2005) van de Nederlandse Palestijn Hany Abu-Assad, waaraan verschillende landen hebben meegewerkt. Ze horen tot de transnationale cinema, cinema op het kruispunt van culturen. Ook producties uit derdewereldlanden die tot stand kwamen met subsidie uit het westen behoren hiertoe. Dat zijn bijvoorbeeld alle films uit het Hubert Bals Fonds - het subsidiefonds van het International Film Festival Rotterdam.

Moeilijke films


Babel

Paradise Now
'In het westen ervaren we deze films vaak als moeilijk', vertelt Itandehui Jansen . 'Dat komt doordat de makers proberen om zowel het overwegend blanke Hollywoodpubliek te bedienen als mensen met een andere culturele achtergrond. Ze gebruiken daarvoor verschillende vertelstrategieën door elkaar: strategieën uit de westerse vertelcultuur, maar ook uit andere culturen.' Met haar onderzoek hoopt Itandehui Jansen  de verschillende vertelvormen te analyseren en te laten zien dat hieruit nieuwe vormen van cinema ontstaan, die een verrijking zijn voor de filmkunst.

'Helaas is het met de distributie en financiering van dit soort films op dit moment slecht gesteld', constateert Itandehui Jansen. 'Hopelijk kan ik er met mijn onderzoek aan bijdragen dat meer mensen ze gaan begrijpen en waarderen.' Want dat deze films gezien moeten worden, staat vast voor de onderzoekster. Had je vroeger de mondelinge en schriftelijke overlevering, op dit moment is film volgens haar hét medium om verhalen over onszelf vast te leggen. En met onszelf bedoelt ze uiteraard niet alleen de westerlingen, maar mensen van over de hele wereld.

Obsessie met een plot
Haar onderzoek doet Itandehui Jansen  bij de vakgroep literatuurwetenschap onder promotor professor Ernst van Alphen. De vakgroep houdt zich bezig met tekstanalyse in de breedste zin van het woord. Want, zo is het uitgangspunt, niet alleen woorden kun je lezen, maar ook een gebouw, een schilderij of - zoals in dit geval - een film.


Nolocha

 
Smoke Signals

 
El Rebozo de mi Madre
Een van de dingen die Itandehui Jansen gaat onderzoeken, is de narratieve structuur van transnationale films. 'Wij zijn gewend aan chronologisch vertelde verhalen waar een plot in zit', legt ze uit. 'Meestal is er één held die een duidelijk doel heeft. De hele film werkt toe naar het antwoord op de vraag of hij dat doel wel of niet bereikt. Dat andere culturen niet die obsessie met een plot hebben, zie je in een film als Nolocha (2002) van de Somalische regisseur Abdi Ismael Jama, waarin een gevluchte Somaliër voortdurend heen en weer reist tussen Schiphol en Rotterdam Centraal. Er gebeuren geen grote dingen en een echte verhaallijn ontbreekt, waardoor westerlingen al snel het gevoel krijgen dat ze er niks van snappen.' Omgekeerd geldt dat iemand uit een klein Afrikaans dorpje, waar het leven als cyclisch wordt ervaren, weinig zal hebben met films die een aaneenschakeling zijn van grote heldendaden. Willen regisseurs mensen uit verschillende culturen bereiken, dan zullen ze dus een vorm moeten bedenken waarin ieder iets van zichzelf terug vindt.

Helden
Een ander probleem waar makers van transnationale films mee te maken krijgen is de keuze van de hoofdpersonages. Het publiek wil zich kunnen inleven in de 'helden', maar wat als het publiek erg divers is? Itandehui Jansen : 'Hany Abu-Assad wilde met Paradise Now een film over twee Palestijnse zelfmoordenaars maken die geschikt zou zijn voor zowel een Palestijns, een Israëlisch als een ander publiek. Je kunt je voorstellen hoe moeilijk dat is.'

Wat bij de keuze van de personages veel regisseurs in de weg zit, zijn de stereotypen, gecreëerd door de Hollywoodindustrie. 'Indianen zijn honderd jaar lang in westerns neergezet als barbaren of nobele wilden', zegt Itandehui Jansen . 'Pas in 1998 verscheen de eerste film over indianen, gemaakt door een native American. In deze film Smoke Signals (1998) maakt de regisseur gebruik van intertekstualiteit om af te rekenen met de stereotypen. Zoals het moment waarop één van de hoofdrolspelers zegt: Het enige wat nog erger is dan indianen in een western, zijn indianen die naar indianen in een western kijken. Ook Hany Abu-Assad moest afrekenen met stereotypen, in zijn geval niet neergezet door Hollywood, maar door de media.'

Dienstmeid
Itandehui Jansen  hoopt dat het onderzoek haar inzichten oplevert die ze kan gebruiken bij het maken van haar eigen films. Ze worstelt namelijk met dezelfde problemen als andere makers van transnationale cinema. De Leidse onderzoekster studeerde in 1998 af aan de Nederlandse Film en Televisie Academie in Amsterdam en maakte daarna enkele korte films en een documentaire. Haar documentaire El Rebozo de mi Madre (De draagdoek van mijn moeder) gaat over het indiaanse dorpje Chalcatongo in Mexico, de geboorteplek van haar moeder. Die woonde er tot haar zeventiende, maar vertrok toen naar Mexico Stad om daar, zoals veel andere meisjes, als dienstmeid te gaan werken. Het was een vreselijk leven, dat ze gelukkig kon ontvluchten door te gaan werken in de Verenigde Staten. Ze ontwikkelde zichzelf, leerde Engels en trouwde met de Leidse archeoloog Maarten Jansen, die ze bij toeval ontmoette toen hij verdwaald was in Chalcatongo. Itandehui Jansen werd in Mexico geboren en toen zij vijf was, verhuisde het gezin naar Nederland.

Interview met Itandehui Jansen over haar documentaire

(13 februari 2007, Ilse Ariëns, freelance journaliste)