Big city!
In haar laatste collegeserie laat theater- en filmwetenschapper Cobi Bordewijk haar licht schijnen over de metropoolfilm. Zeven colleges over films die spelen in Berlijn, Tokio, Londen, Rome, New York en Parijs. Met filmvertoning na afloop.
![]() De poster bij de Studium-Generale-lezingenserie Big city! Posterontwerp: Antoinette Hanekuyk |
'Met deze serie gaat een lang gekoesterde wens in vervulling', vertelt universitair docent film- en theaterwetenschap dr. Cobi Bordewijk. 'Ik loop al zo lang rond met het plan om iets met de metropool in de film te doen.' De Studium-Generale-serie Big city! De metropool in de film is Bordewijks zwanenzang. Ze gaat dit jaar met pensioen. De slotlezing van de serie, op 29 maart, vormt het slotakkoord van 37 jaar bezig zijn met drama, theater en film aan de Universiteit Leiden.
Metropoolfilm als genre
Het eerste college van de zevendelige serie is een inleiding op de serie, waarin Bordewijk de metropoolfilm als genre introduceert. In de volgende colleges komen er zes films aan bod die spelen in achtereenvolgens de metropolen Berlijn, Tokio, Londen, Rome, New York en Parijs. De uitvinding van de film dateert van rond 1900, en rond die tijd ontstaan ook de eerste metropolen. De metropool is dus een nieuw fenomeen, dat zich goed blijkt te lenen voor verbeelding in dat andere nieuwe fenomeen, de film. Rond 1900 waren er twaalf miljoenensteden en woonde 15% van de mensen in een stad.
La haine
De film was in het begin van de twintigste eeuw dus net zo nieuw als de metropool zelf. De metropool behield zijn aantrekkingskracht voor filmregisseurs tot in de jaren zeventig. Daarna zijn er eigenlijk geen echte metropoolfilms meer gemaakt, vertelt Bordewijk. Wel ontstaat in de jaren negentig de voorstadfilm. Een mooi voorbeeld daarvan is La haine (Matthieu Kassovitz) uit 1995. In deze film volgen we vierentwintig uur uit het leven van drie jongeren uit de Parijse banlieus: een jood, een moslim en een zwarte over wiens godsdienst we niets te weten komen. De avond voor de actie van de film begint, is een jongen uit de buurt door de politie brutaal aangepakt en in coma geraakt. Stevige rellen zijn het gevolg. Onder alles wat de drie zeggen en doen schuilt een enorme haat tegenover de politie en de buitenwereld. Bordewijk: 'Het is verbijsterend hoe dat allemaal tien jaar later is uitgekomen! Over die voorstadfilms zou trouwens ook een mooie serie te maken zijn, maar ja, dat zal er niet meer van komen.'
Drie subgenres
Bordewijk onderscheidt in haar collegeserie drie subgenres in de metropoolfilm: de metropool-documentaire, de fantasie-metropoolfilm en de speelfilm waarbij de gekozen metropool de noodzakelijke achtergrond is. Van alle drie laat ze voorbeelden zien in de colleges. In de documentaire is de stad zelf de hoofdpersoon in de film, zoals in Ruttmanns Berlin. Die Sinfonie der Großstadt (1929). De films Metropolis (1927) van Fritz Lang en Roma (1972) van Fellini zijn voorbeelden van fantasie-metropoolfilms. In de laatste film bijvoorbeeld toont de regisseur een impressionistisch beeld van Rome vanaf de tijd van Mussolini tot aan de jaren zeventig. Metropolis confronteert de kijker met het beeld van een futuristische stad uit 2000. Manhattan (1979) van Woody Allen is een voorbeeld van het derde type metropoolfilm. Bordewijk: 'Al die neuroten die de stad New York en elkaar zowel haten als liefhebben, dat kan alleen maar daar spelen.'
Au bonheur des dames
Van het laatste college in de serie, op 29 maart, maakt Bordewijk een bijzonder evenement. Het college zal gaan over Duviviers Au bonheur des dames (1929). Vervolgens wordt de film écht gedraaid, met echte filmspoelen die op de juiste snelheid worden afgespeeld. De muzikale begeleiding wordt verzorgd door een filmorkest van studenten van de Faculteit der
Mannetje achter de piano
Bordewijk: 'De meeste mensen hebben nog nooit een authentieke vertoning van een stomme film meegemaakt. Er wordt een film op het doek vertoond, en voor dat doek, in de orkestbak, wordt live gemusiceerd. Meestal bleef die live muziek trouwens beperkt tot een mannetje achter de piano, en als het iets meer moest voorstellen, was er ook wel eens een violist bij. De meeste bioscopen in het begin van de twintigste eeuw waren straatarm, die konden zich niet meer veroorloven. Alleen een paar grotere bioscopen hadden een orkestje in de orkestbak zitten.'
Betoverende ervaring
Er zijn ook nu nog stomme-film-vertoningen met live muziek. Het Concertgebouw neemt ze met regelmaat op in haar programmering, vertelt Bordewijk. Er bestaat zelfs een filmorkest dat gespecialiseerd is in de begeleiding van oude films. Bordewijk: 'Het bijwonen van zo'n vertoning is een betoverende ervaring! Je zit echt ín de film. Je moet wel even aan zo'n oude film wennen. Het tempo is veel trager, en er wordt - althans in onze ogen - wat overdreven geacteerd, maar die muziek maakt het zo prachtig! Ik heb de studenten die bij de vertoning van Au bonheur des dames gaan spelen onlangs de film laten zien. Ik was wel een beetje bang dat ze er niets aan zouden vinden. Maar ze vonden het juist práchtig, ze waren helemaal enthousiast. We leven natuurlijk in een retro-tijd. Studenten zijn dol op oude films.'
Het eerste college in de serie Big City
Donderdag 15 februari 2007, 18.45 uur.
Plaats: Lipsiusgebouw 1175, zaal 011 (let op: zaalwijziging van 003 naar 011 van 15 februari t/m 22 maart)
Titel college: Movie, Machine, Metropool
Film: Ruttmann: Berlin. Die Sinfonie der Grossstadt (Dld. 1927)
Met filmvertoning via de beamer na afloop.
Op 29 maart is de filmvertoning met orkest in het LAKtheater uitverkocht. Het college Passie in Parijs om 18.45 uur in het LAKtheater kunt u nog wel bijwonen. Wanneer u geen plaatsen heeft gereserveerd voor de filmvertoning in het LAKtheater, kunt u de film Au bonheur des dames op dvd bekijken in zaal 003 of 011. College en dvd-vertoning zijn voor iedereen gratis toegankelijk.
Meer informatie
Website Studium Generale
(13 februari 2007/DH)

