Boeken
Bouwen aan het LUMC; een geschiedenis van (on)voltooide dromen

Pieter van Megchelen
December 2006
In te zien bij Walaeus en Universiteitsbibliotheek
Ter ere van de opening van de nieuwe gebouwen voor onderzoek en onder
Wonder
De ondertitel van het rijk geïllustreerde boek 'een geschiedenis van (on)voltooide dromen', is goed gekozen want de wording bestond vooral uit uiterst moeizaam gemaakte plannen, die vaak op niets uitliepen. Het mag een wonder heten dat het daadwerkelijk tot bouwen is gekomen. Ook bij de jongste gebouwen scheelde het maar een haar of ze waren er niet geweest.
Frustratie
Niet één maar een treurig aantal keren gebeurde het dat de academische gemeenschap aan het plannen maken sloeg en dat precies op het moment dat het op de realisering aankwam, het geld bij de rijksoverheid weer op was. Dit heeft in de loop van veertig jaar bij heel veel mensen tot heel veel frustratie geleid. Zo duurde het tot 1971 voor het Sylviuslaboratorium werd gebouwd, terwijl de eerste plannen er al in 1956 waren. In 1977 werd gedacht over een nieuw ziekenhuis ter vervanging van de paviljoens, maar pas in1996 kon de feestelijke opening door koningin Beatrix plaats vinden.
Weer geen geld
Ook de nieuwste gebouwen kennen een geschiedenis die twintig jaar eerder begint. Dat ze er gekomen zijn is te danken aan aan de samenwerking tussen drs. L.E.H. Vredevoogd, die in 1994 voorzitter van het College van Bestuur van de universiteit werd (aanvankelijk waarnemend) en dr. O. Buruma, voorzitter van de Raad van Bestuur van het LUMC. Wéér was er geen geld, maar het ziekenhuis schoot te hulp. Het nam bijvoorbeeld de bouwrente op zich.
Eigen belangen
Een vertragende factor in de jaren zestig en zeventig was, dat steeds héél veel partijen meepraatten over eventuele nieuwe gebouwen: de rijksoverheid, de gemeente, 'het ziekenhuis', de universiteit en de faculteitsraad. Die allemaal eigen belangen hadden. Als het al echte belangen waren. Zo waren de palen voor het Sylvius eind jaren zestig al in de grond geslagen toen de gemeente Leiden tot de ontdekking kwam dat het gebouw precies op de grens tussen Leiden en Oegstgeest lag. Als er ooit brand zou uitbreken, zou er ruzie kunnen ontstaan tussen de brandweercorpsen van de beide gemeenten, met alle gevolgen vandien. Of het gebouw niet opgeschoven kon worden. En, hoe moeilijk we dat ons nu nog kunnen voorstellen, aldus geschiedde: enkele honderden meters verderop werd opnieuw begonnen met heien. Een andere sprekende anekdote is dat het gebouw na voltooiing in 1971, drie jaar(!) leeg stond omdat men het er niet over eens kon worden welke vakgroepen het gebouw zouden betrekken.
En dan hebben we nog niet eens gehad over de hoogtijdagen van de medezeggenschap, toen de faculteitsraad van geneeskunde 136(!) leden kende.
Oneens
Vaak waren ziekenhuis en universiteit het onderling niet eens; soms kwam zelfs het tot tegenstrijdige brieven aan het ministerie. Om te begrijpen hoe dit kwam, moeten we terug naar de jaren vijftig en zestig. De paviljoenbouw, waarvan je je nu afvraagt hoe iemand die ooit heeft kunnen bedenken, weerspiegelde het toenmalige geneeskundige wetenschappelijke landschap: de doktoren in de paviljoens bestierden - al dan niet gedreven door hobbyisme - hun eigen wetenschappelijke koninkrijkje en de patiënt was er ten behoeve van het onder
Pre-klinisch onderzoek
Het harde onderzoek gebeurde vond vooral plaats in de pre-kliniek, waar studenten basisvakken volgden als chemie, biologie, anatomie en fysiologie; de meerwaarde van wetenschappelijk onderzoek voor de patiëntenzorg werd pas na de Tweede Wereldoorlog manifest, bijgevolg waarvan bijvoorbeeld de eerste transplantaties mogelijk werden. Later zouden het pre-klinische onderzoek helemaal gaan floreren door succesvol onderzoek in de farmacologie, de genetica en de celbiologie. Daaruit kwamen de eerste plannen voor het nieuwe Sylviuslaboratorium voort. Ondertussen groeiden de academische ziekenhuizen uit tot eigenstandige ziekenhuizen. In twee stappen werden zij onafhankelijk, zij het nog steeds met een academische taak. Juridisch kwamen zij dus los van hun voormalige eigenaren, de universiteiten, te staan terwijl de inhoudelijke samenhang juist steeds verder groeide.
Eén universitair medisch centrum
De gedachte omtrent één universitair medisch centrum (op een unielocatie) kwamen dan ook voort uit de behoefte om patiëntenzorg, onderwijs en onderzoek dicht bij elkaar te hebben, omdat de verwevenheid én de synergie door de jaren waren gegroeid. Uiteindelijk heeft die ook bestuurlijk zijn beslag gekregen bij de vorming van het LUMC, waarin de leiding van faculteit en ziekenhuis een personele unie vormen. Dat wil zeggen: het faculteitsbestuur bestaat uit dezelfde mensen als de directie van het ziekenhuis.
Symbolisch
De universiteit is niettemin heel lang bang geweest 'opgeslokt' te worden door 'het ziekenhuis' als het tot de vorming van één eenheid zou komen. Als teken daarvan werd de massale overheveling van personeel van de universiteit naar het ziekenhuis, begin jaren negentig, gezien. Terwijl toch duidelijk was dat het niet handig was dat personeel werkzaam bij één instelling verschillende arbeidsvoorwaarden had.
Toen twaalf jaar geleden één LUMC toch onvermijdelijk bleek, kwamen Vredevoogd en Buruma, om al te veel discussie te voorkomen, een losse overeenkomst overeen: juridisch staan ziekenhuis en universiteit nog steeds los van elkaar. De gebouwen lijken dat te weerspiegelen. Maar gelukkig zijn ze verbonden door bruggen en sluizen. En ook dat is symbolisch.
(6 februari 2007/CH)

