Kinderbeschermingswet achterhaald
De kinderbeschermingswet moet worden aangepast, zodat de belangen van het verwaarloosde of mishandelde kind voortaan zwaarder wegen dan die van de
![]() |
Opvoedingsnood
Kinderen in opvoedingsnood, dat wil zeggen kinderen wier (biologische) ouders niet in staat zijn hen goed op te voeden doordat ze hen verwaarlozen en soms mishandelen, moeten door de wet beter in bescherming worden genomen. Ook moet de wet de belangen van pleegouders die voor het kind zorgen, beter beschermen. Verandering van die wet is dringend noodzakelijk om kinderen in opvoedingsnood en hun pleegouders meer kans te geven op een goede ontwikkeling van het kind. De grootste belemmering voor de ontwikkeling van kinderen in opvoedingsnood is het voorrang geven aan de belangen van de tekortschietende ouders, vindt de Werkgroep Kind in de Pleegzorg. In haar beleidsnota bepleit de werkgroep dat het primaat van de ouders in pedagogische en juridische zin wordt losgelaten
Werkgroep Kind in de Pleegzorg
|
Samenstelling landelijke Werkgroep 'Kind in de pleegzorg'
|
Mentaliteitsverandering
Het zwaarder laten wegen van het belang van de ouders dan dat van het kind leidt dikwijls tot onverantwoord uitstel van beslissingen en herhaald (duur) onderzoek van kind, ouders en/of pleegouders. Daarom is een mentaliteitsverandering vereist. De samenleving moet erkennen en in de wet verankeren dat de belangen van het verwaarloosde of mishandelde kind voorrang hebben boven de belangen van de ouders. Daardoor zullen niet alleen de problemen bij kinderen in opvoedingsnood verminderen, maar ook de kosten en de problemen die daaruit voortvloeien voor de samenleving.
Hechten voor het zesde levensjaar
Langdurige onzekerheid is destructief voor elke relatie. Voor een kind in opvoedingsnood heeft die onzekerheid bovendien grote nadelige gevolgen voor zijn ontwikkelingsmogelijkheden. Een kind kan zich alleen goed ontwikkelen als het vertrouwen heeft in zichzelf en in de ander. Dat vertrouwen kan alleen ontstaan in een duurzame en veilige hechtings- en opvoedingsrelatie. Voorwaarde voor het ontstaan van zo'n relatie is de duurzame beschikbaarheid van dezelfde persoon. De levensperiode van nul tot zes jaar is cruciaal voor de ontwikkeling van de hechtingscapaciteit. Als de capaciteit tot hechten zich rond het zesde jaar nog niet heeft ontwikkeld, zal het kind nauwelijks of geen hechtingsrelaties en bindingen meer aan kunnen gaan en op zichzelf gericht blijven.
Pleeggezin
Als ouders langdurig moeite hebben het gedrag van hun kind in goede banen te leiden en de ontwikkeling onvoldoende kunnen stimuleren, kan Bureau Jeugdzorg hulp bieden bij de opvoeding. En als dat niet tot voldoende verbetering leidt, is het vaak beter voor een kind als het in een pleeggezin wordt geplaatst. Als het kind uit huis is geplaatst, is het voor de hulpverlener vaak lastig te bepalen of de ouders alsnog in staat zullen zijn om het kind op te voeden, en zo ja, op welke termijn. Dit leidt gemakkelijk tot discussie, aarzeling en uitstel van een besluit over de te volgen lijn. Dat is ongewenst vanuit het belang van het kind.
Tweederangs kind
Als de duur van de plaatsing onzeker blijft, is het voor het kind en voor de pleegouders moeilijk zich aan elkaar te binden. Het kind kan weinig vertrouwen in de ander ontwikkelen. Hij voelt zich 'tweederangs', hoort voor zijn gevoel niet bij het pleeggezin en niet bij zijn ouders en weet niet wie er in de nabije toekomst voor hem zal zorgen. Hij kan geen vertrouwen opbouwen in een volwassene en ook niet in zichzelf en voelt zich niet de moeite waard. Dit heeft tot gevolg dat de ontwikkeling van het kind stagneert, met name in sociaal en emotioneel opzicht.
Dubbel trauma
Als het kind lang, soms jaren, in een pleeggezin blijft, gaat het zich meestal hechten aan zijn pleegouders. Als dan alsnog besloten wordt dat de ouders het kind weer gaan opvoeden, verliest het kind zijn hechtingspersoon, de pleegouder. Dit is een trauma voor het kind, met name als hij nog geen zes jaar is. Het kind wordt niet meer gestimuleerd op de voor hem vertrouwde wijze. Zijn vertrouwde wereld valt weg. Vaak is dit zijn tweede trauma - zijn eerste trauma was de verwaarlozing (en soms mishandeling), de reden voor de uithuisplaatsing. Het kind kan dan alle vertrouwen in volwassenen verliezen.
Risico
Dit risico van een tweede trauma ontstaat zeker als het kind vrijwel vanaf zijn geboorte bij zijn pleegouders woont. De pleegouder is dan ouder in emotionele zin. Verlies van zijn pleegouder is een trauma, waardoor de veilige basis van het kind wordt verstoord. Hij is dan niet meer veilig gehecht, het vanzelfsprekende vertrouwen in de ander is geschonden. Hierdoor is het risico groot dat het kind zich ook niet meer, of niet veilig genoeg, zal kunnen hechten aan zijn ouders als hij bij hen wordt (terug)geplaatst.
Kinderwetten uit 1905
Minister Hirsch Ballin neemt maandag 16 oktober een rapport met de nieuwe beleidsvisie van de landelijke Werkgroep Kind in de Pleegzorg in ontvangst. In het boek Honderd jaar Kinderbescherming (2006) zegt oudminister van Justitie Donner dat 'de ontwikkeling van kinderen [.] niet een zaak [.] is die uitsluitend hun ouders aangaat; ook de overheid heeft daarin verantwoordelijkheid'. De onderkenning van de verantwoordelijkheid van de overheid was de aanleiding voor het invoeren van de kinderwetten in 1905. Sindsdien is er aan die wetten weinig veranderd ten gunste van het kind.
Links
- Vanaf 16 oktober: www.kindindepleegzorg.nl
- Artikel 'Meer rechten voor pleeggezin' in nieuwsbrief 14 maart 2006
- Op maandag 16 oktober vindt een symposium Kind in de pleegzorg plaats. Programma symposium (pdf)
(10 oktober 2006/DH)

