Universiteit Leiden
  home   contact      
 
 
 
Archief
   

Archief > Forum 2/06

Onderzoek

Leidse stellingen

Ze zijn te vinden op een los velletje papier tussen de volgeschreven pagina's van het proefschrift: de stellingen van een promovendus. Twaalf of dertien zinnen met eigen bevindingen, kleine speldeprikken, interessante ontdekkingen en boeiende theorieën. Forum besteedt in deze rubriek aandacht aan een selectie van stellingen uit recent verschenen proefschriften bij de Letterenfaculteit.

Stellingen behorende bij het proefschrift van Bart van der Veer, The Italian 'mobile diphtongs'. A test case for experimental phonetics and phonological theory:

  • Stelling 1. De term dittongo mobile heeft geen bestaansrecht meer.
    'In zijn grammatica Delle cagioni della lingua toscana van 1623 maakt Benedetto Buommattei een onderscheid tussen dittonghi fermi (stabiele tweeklanken) en dittonghi mobili (onstabiele tweeklanken). De dittonghi fermi, zo redeneert de auteur, zijn onveranderlijk en worden niet beïnvloed door de aanwezigheid van klemtoon, bijv. ie in piègo 'ik vouw' (met klemtoon) en piegàre 'vouwen' (zonder klemtoon). De dittonghi mobili daarentegen komen alleen in beklemtoonde positie voor en wanneer de klemtoon verspringt, "wordt de diftong weggenomen"; bijv. uo in buòno 'goed' wordt o in de superlatief bonìssimo 'zeer goed', omdat de klemtoon een lettergreep is opgeschoven.

    In de tijd dat Buommattei's grammatica werd gepubliceerd, werd er al tegen deze alternantieregel gezondigd. Een gerenommeerd taalkundige als Bembo schuwde een vorm als buonìssimo niet in zijn Prose della volgar lingua (1525). De diftong blijft behouden in de onbeklemtoonde lettergreep, naar analogie van het basiswoord waarin de diftong in beklemtoonde positie voorkomt.

    Uit experimenteel onderzoek in mijn proefschrift blijkt dat de zogenaamde regel van de dittongo mobile thans nauwelijks nog wordt toegepast. Ook in de geschreven taal is dat het geval. Hoewel moderne woordenboeken en grammatica's de regel nog veelvuldig vermelden, zijn het toch vooral taalpuristen die de strijd voor het behoud van deze regel niet willen opgeven.'
  • Stelling 3. Diftongering in voorklinkers ([jE/je]) is fonetisch beter waar te nemen dan in achterklinkers ([wO/wo]). Dit verklaart de asymmetrie in de eliminatie van de 'regel van de mobiele diftongen'.
    'Als de 'regel van de mobiele diftongen' nog wordt toegepast, dan is dat voornamelijk nog in het geval van uo, bijv. uòmo 'man' vs. omìno 'mannetje'. De diftong ie alterneert vrijwel niet meer. In het proefschrift wordt een link gelegd met een ander opvallend verschijnsel: een aantal Romaanse talen hebben wel gediftongeerde voorklinkers maar geen gediftongeerde achterklinkers. Dat geldt o.a. voor het Roemeens, maar ook in het Frans zijn hier voorbeelden van te vinden: de laat-Latijnse woorden tertiu en neptia evolueerden naar tiers 'derde' en nièce 'nicht', terwijl er geen diftongering plaatsvond in de evolutie van fortia en noptia: force 'kracht' en noce 'bruiloft'.

    Hierdoor ontstond de hypothese dat deze asymmetrie fonetisch te verklaren is. De experimenten tonen inderdaad aan dat er een duidelijke en significante correlatie is tussen de akoestiek en de perceptie van de diftongen: bij de voorklinkers is deze correlatie echter sterker dan bij de achterklinkers. In eenvoudiger bewoordingen komt het erop neer dat, wat de 'mobiele diftongen' betreft, de ie in onbeklemtoonde lettergrepen iets makkelijker werd waargenomen en daarom eerder werd overgenomen door (nieuwe) sprekers van het Italiaans dan uo in diezelfde positie.'
  • Stelling 6. Fonologen moeten een grondige kennis hebben van de taal die zij bestuderen; voor fonetici geldt deze eis niet.
    'Helaas komt het soms voor dat fonologische analyses gefundeerd zijn op onvoldoende of zelfs onjuiste taaldata. In sommige van deze studies worden de klankpatronen van de meest bizarre talen in kaart gebracht, waarbij het duidelijk is dat de auteur in kwestie zelfs geen eenvoudige conversatie in die taal zou kunnen hebben. In andere gevallen gaat het dan weer om eerder gangbare talen. De taaldata zijn overgenomen uit andere artikels (waarin ze misschien ook alweer tweedehands zijn) en zo blijven auteurs soms data van elkaar kopiëren, zonder deze te verifiëren.

    Het moge duidelijk zijn dat dergelijke analyses geen goed inzicht verschaffen in de fonologische structuren van die talen, al zijn de gebruikte theoretische modellen misschien nog zo interessant. Een foneticus, die eerder experimenteel te werk gaat, kan er dan juist weer baat bij hebben een taal nog nooit eerder geleerd te hebben. De akoestiek en perceptie van de taalklanken kunnen dan als het ware onbevooroordeeld worden bestudeerd.'
  • Stelling 8. De diftongen maken de man (m/v).
    'We kunnen in veel gevallen aan iemands spraak horen van welke streek, soms zelfs van welk dorp hij/zij afkomstig is. Niet in de laatste plaats komt dat door het gebruik van zeer typische diftongen. Antwerpenaren verraden zich o.a. door hun ai in woorden als kraige 'krijgen', spaitig 'spijtig', terwijl Vlamingen de Nederlanders van boven de Moerdijk onmiddellijk herkennen aan hun eej's en oow's: oowkeej! Soms zijn bepaalde diftongen zelfs hip.

    Een bekend voorbeeld daarvan is de diftongering die kenmerkend is voor het Poldernederlands, een variant van het Nederlands die vooral door avant-garde vrouwen wordt gesproken. In het Poldernederlands klinkt de ei van eindelijk ongeveer als ai: aindelijk, maar er zijn nog andere typerende diftongeringen (zie hum.uva.nl/poldernederlands).

    Een interessante vraag zou zijn waarom de sprekers van het laat-Latijn hun middenklinkers zijn gaan diftongeren en een woord als pètra 'steen' gingen uitspreken als piètra. Een gangbare theorie is dat het moeilijk is die klinkers, zeker wanneer ze beklemtoond en dus langer zijn, zuiver te houden en er bijgevolg makkelijk verglijding kan optreden. Sociolinguïstische factoren kunnen natuurlijk ook een rol hebben gespeeld. Misschien waren er ook wel verschillen tussen mannen en vrouwen of tussen bepaalde lagen van de samenleving.'

Promotie 17 januari 2006
Promotoren: Prof.Dr. V.J.J.P. Heuven, Prof.Dr. J.E.C.V. Rooryck
Zie ook: Dissertations Online

Stellingen behorende bij het proefschrift van Michael Paul Besten, Transformation and Reconstitution of Khoe-san Identities: AAS Le Fleur I, Griqua Identities and Post-Apartheid Khoe-san Revivalism (1894-2004):

  • Stelling 1. The apartheid government did not, as is popularly asserted in the post-apartheid era, suppress a Griqua identity.
  • Stelling 6. Studies like the one of AAS le Fleur I, showing him as a complex, contradictory and flawed being, are valuable for serious introspection necessary for dealing with the socially debilitating legacies of South-Africa's ethno-'racial' past and for forging a post-colonial / post-apartheid societal sensibility.
  • Stelling 7. Expressions of group identities are liable to alter with changing social, cultural and political relations and in light of envisaged benefits or disadvantages.
  • Stelling 8. Social, identity and cultural reconstitution is liable to be attended with a reinvention of the past and the suppression of unpalatable thruths.
  • Stelling 10. A Coloured identity is not a mere colonial or apartheid imposition.

Promotie 18 januari 2006
Promotor: prof.dr. R.J. Ross
Zie ook: Dissertations online

Stellingen behorende bij het proefschrift van E.S. Klinkenberg, Architectuuruitbeelding in de middeleeuwen. Oorsprong, verbreiding en betekenis van architectonische beeldtradities in de West-Europese kunst tot omstreeks 1300:

  • Stelling 2. In de vroege en hoge Middeleeuwen is portretmatigheid van architectuuruitbeeldingen geen doel, maar een middel om een boodschap te verduidelijken. Portretmatige architectuuruitbeeldingen leenden zich bijvoorbeeld beter om aanspraken op rechten, bezit en privileges te onderbouwen dan schematisch weergegeven gebouwen.
  • Stelling 4. De invloed die de loden en gouden bullen van de koningen en keizers van het Heilige Roomse Rijk op de zegelkunst hebben uitgeoefend, is ernstig onderschat.
  • Stelling 5. Zonder het zelf te beseffen voert de Utrechtse Universiteit het best denkbare logo voor haar Bibliotheek. Bedoeld wordt de tempel der wijsheid in het wereldberoemde Utrechtse Psalter, waarvoor een mannelijk figuur onder het toeziend oog van een engel zit te lezen.
  • Stelling 12. Om aan de formele, hiërarchische sfeer van een gemiddeld symposium in hun vaderland te ontsnappen bezoeken Duitse wetenschappers graag symposia in Nederland.

Promotie 24 januari 2006
Promotor: prof.dr. A.J.J. Mekking
Zie ook: Dissertations Online

                                    
 
   
vorige pagina top pagina