Universiteit Leiden
  home   contact      
 
 
 
Archief
   

Archief > Forum 4/05 > Interviews

Interview met Jaap Goedegebuure, nieuwe hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde: "In Nederland zijn er geen schrijvers die geïnspireerd zijn door de Islam."

Jaap Goedegebuure volgt Ton Anbeek op als de nieuwe hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde. Forum sprak met hem over zingeving, perfectionisme en onsterfelijkheid. "Ik zou zelf ook gaan peuteren, hoor."

door Bart de Haas

Wat was de reden dat u voor de studie Nederlands koos?

"De liefde voor de literatuur. Eerst wilde ik Geschiedenis gaan studeren, maar ik kon in die tijd geen lesbevoegdheid meer voor beide studies krijgen zonder twee volledige doctoralen te halen. Bovendien had ik al heel veel over dit onderwerp gelezen op de middelbare school. Dus werd het Nederlands. In Leiden. En de literatuur gaf de doorslag. Na mijn kandidaats Nederlands ben ik uiteindelijk Literatuurwetenschap gaan studeren in Utrecht

Door welke schrijvers besloot u in het begin dan toch om Nederlands te gaan studeren?

"Veel van de auteurs over wie ik geschreven heb zijn mijn favoriete auteurs, Gerard Reve, W.F. Hermans, Hugo Claus. Ik ben gepromoveerd op Marsman. Verder ben ik erg lang in de ban geweest van Ter Braak en Du Perron. Beide auteurs hebben grotendeels mijn literaire opvatting bepaald en mijn smaak sterk beïnvloed, tot ik me er juist tegen ging afzetten. Hoewel bij Du Perron alles bruist en borrelt, denk ik nu toch dat Ter Braak de interessantste is van de twee."

In Leiden gaat u Ton Anbeek als hoogleraar Moderne Letterkunde opvolgen. Hoe denkt u dit te gaan doen? En wat zijn de grootste verschillen tussen u en hem?

"Zo goed mogelijk, natuurlijk. Ik weet dat Anbeek goed onderwijs gaf, ik ga de uitdaging aan om dat minstens even goed te gaan doen als hij. Wat onderzoek betreft zijn we in heel andere gebieden gespecialiseerd. Hij richtte zich vooral op de tijd tussen 1945 en 1980; zelf ben ik meer van het interbellum. Dus van Marsman, de Nieuwe Zakelijkheid enzovoorts. Ik ben overigens niet van plan om, net als Anbeek, een nieuwe literatuurgeschiedenis te gaan schrijven - ik heb heel andere plannen. Momenteel ben ik bezig aan een heel ander boek. Mijn vorige twee boeken gingen over de relatie tussen literatuur en de Bijbel, en dit boek sluit daar op aan. Het zal gaan over de verhouding tussen literatuur en religie als cultuurhistorisch of -kritisch fenomeen in de laatste decennia van de afgelopen eeuw. Auteurs als Frans Kellendonk, Gerard Reve, C.O. Jellema, Andres Burnier en Willem Jan Otten zijn in hun boeken duidelijk op zoek naar zin."

Zin?

"Ja, een bepaalde manier van zingeving, die soms religieus is en soms niet, en waarvoor ze hun eigen werk inzetten als middel. Ze bevragen het bestaan, heel specifiek in de tekst, door middel van zogenaamde 'zijnsvragen'. Poëzie dient (onder andere) al eeuwenlang de bevraging van het bestaan, maar het interessante is dat ook romanschrijvers dit doen. Ze werpen talloze vragen op, zonder dat hier overigens een pasklaar of definitief antwoord op komt."

Is iets dergelijks kenmerkend voor onze tijd?

"Het fascinerende is dat er na de Tweede Wereldoorlog tot ongeveer 1970 geen enkele auteur toe lijkt te willen geven hiermee bezig te zijn. Daarna zie je het beetje bij beetje terugkomen. Zo verscheen er begin jaren tachtig een boekje over de godsvraag met bijdragen van diverse Revisorschrijvers, opnieuw zonder antwoord op de vraag of hij bestaat of niet. Zelf schreef ik al eens een stuk met de titel 'Een stalkende god', waarin ik het had over dichters die een aanwezigheid ervaren die je niet met rust laat. Hans Faverey bijvoorbeeld noemde één van zijn bundels Hinderlijke goden. Dit ging over godsbeelden, zeg maar projecties die je als vliegen van je af moest slaan en die steeds weer terugkwamen. Dat zegt genoeg."

Kan dit komen doordat de mensen tegenwoordig steeds minder naar de kerk gaan, maar toch naar iets op zoek zijn?

"In mijn boek ga ik geen verklaring geven. Veel mensen geloven in 'iets', al weten ze vaak niet precies in wat, bijna niemand gelooft helemaal nergens in. Vaak zeggen ze dat ze iets missen. Het is dan ook geen wonder dat er buiten kerkelijk verband, in informele circuits, van alles te doen is. Daarnaar wordt sociologisch onderzoek gedaan, maar dat is niet mijn vakgebied. Ik vind het interessant om te kijken hoe bijvoorbeeld Willem Jan Otten zich 'bekeerd' heeft, terwijl hij eerst in niets geloofde. Of hoe Andreas Burnier op zoek ging naar zin, en via het Boeddhisme uiteindelijk terechtkomt bij haar joodse wortels, net als Marcel Möring trouwens."

En de Islam?

"Ik richt me alleen op Nederlandse auteurs die iets met de westerse tradities doen, die zich ertegen afzetten of er juist naar terugkeren. Ik zou echter geen Nederlandstalige auteurs weten, behalve Mohammed B. dan misschien, die zich door de Islam laten inspireren. Jonge allochtonen zijn geseculariseerd. Bovendien weet ik te weinig van de Islam af."

Welke vakken bent u van plan om in Leiden te gaan geven?

"Diverse vakken binnen Moderne Letterkunde en daarnaast twee werkgroepen, dat vind ik zelf het leukst. Allereerst een werkgroep over de 'zaak Kellendonk'. Naar aanleiding van `Mystiek lichaam' werd Kellendonk beschuldigd van reactionaire, zelfs antisemitische ideeën. Dat leverde toen een grote rel op. Over deze kwestie wil ik een werkgroep geven en in de andere werkgroep wil ik gaan kijken naar de totstandkoming van het verzameld werk van Marsman, dat hij in 1938 zelf heeft geredigeerd. Welke keuzes maakte hij en hoe deed hij dat? Hij heeft bij dit proces nogal radicaal geschift en veel veranderd, net als bijvoorbeeld Jellema en Nijhoff."

Was Marsman dan niet meer tevreden over deze gedichten? Hij heeft ze in die tijd toch zelf gepubliceerd?

"Marsman was nogal impulsief, hij publiceerde zeer snel en had vaak kort daarna al spijt. Heel anders dan auteurs als Hermans en Flaubert, die ook veel veranderden, maar dan uit perfectionisme. Ik zou zelf ook gaan peuteren, hoor. Als er iets herdrukt wordt, dan laat ik het niet zomaar gaan. Iemand als Mulisch daarentegen ziet zijn gepubliceerde werk als iets dat afgesloten is. Voor beide standpunten is natuurlijk iets te zeggen."

In Tilburg heeft u ook college gegeven?

"Ja, vanaf 1986."

Denkt u dat de studenten door de tijd veranderd zijn?

"Ja en nee. Nog altijd heb je de supergemotiveerden en de zesjeshalers. Vroeger bestond echter het fenomeen van de eeuwige student nog. Je had geen studiebegeleiders en als je dacht dat je eraan toe was, dan maakte je een afspraak met je docent om tentamen te doen, alles mondeling. En dat gebeurde dan bij de professor aan huis, één op één, zoals wij hier nu zitten. Ik denk echter wel dat de voorkennis sterk achteruit is gegaan, dat we van een kennis- naar een Google-opzoekcultuur zijn gegaan. Zodra de machine iets kan, kunnen wij het niet meer. Dat merk ik ook wel aan mijzelf: vroeger waren we er in getraind, maar tegenwoordig kan ik steeds moeilijker met de hand schrijven. Mulisch heeft daar natuurlijk weer een theorie over. Het begint al in de prehistorie. Mensen maken werktuigen om het zichzelf gemakkelijker te maken. Als je een vuistbijl hebt, hoeft je vuist niet zelf zo sterk te zijn. Daarna kwam het zwaard, daarna het geweer en vervolgens de langeafstandsraket. Alles wat je overdraagt aan machines, verlies je aan fysieke vaardigheid. Maar er is misschien ook een voordeel. Men vermoedt dat in 2050 je hele brein als een harde schijf op de computer kan worden overgeladen. Zo komen we steeds dichter bij een soort onsterfelijkheid."

                                    
 
   
vorige pagina top pagina