Universiteit Leiden
  home   contact      
 
 
 
Archief
   

Onderzoek

Het onderzoek van ..

In de faculteit wordt veel onderzoek verricht. In de rubriek Het onderzoek van. vertelt telkens een promovendus of andere researcher over de grandeur en misère van het onderzoek doen. Deze maand vertelt Annemiek Hammer (LUCL) over haar promotieonderzoek naar taalontwikkeling van kinderen met cochleaire implantatie.

      
Annemiek Hammer

Vertel iets over uzelf, hoe bent u tot dit onderzoekproject gekomen?

Mijn eerste onderzoekservaring was het schrijven van mijn master-scriptie. Het formuleren van de onderzoeksvragen en hypothesen, het testen van de kinderen, het uitwerken van de data en de verslaglegging, bij tijd en wijle een flinke dip, ik heb er van genoten! Mijn scriptie ging over de auditieve verwerking bij kinderen met een ernstige taalachterstand. Met auditieve verwerking wordt bedoeld hoe kinderen spraak verwerken in hun hersenen en begrijpen wat gezegd wordt. Ik raakte tijdens deze periode gefascineerd door de vraag wat het effect van horen was op de taalontwikkeling van kinderen. Een interessant onderzoeksgebied is dan die naar cochleaire implantatie (CI) en taalontwikkeling. Een CI bestaat uit meerdere elektroden die in het slakkenhuis worden  geschoven en via stroompulsjes de hoorzenuwen stimuleren. Het sprak mij tot de verbeelding dat slechthorende kinderen door een dergelijk apparaat geluid konden waarnemen en nota bene was het ook nog mogelijk spraak te verstaan. Ik ben erover gaan lezen en raakte in de ban van CI. Ik wilde heel graag onderzoek doen naar de taalontwikkeling van kinderen met CI en typte in op google 'vacature' en 'cochleaire implantatie'. Ik kwam op de site van LUCL (Leiden University Centre for Linguistics) waar een project draaide naar de morfosyntactische ontwikkeling van kinderen met CI. Ik heb gereageerd en kon starten als aio.  Eigenlijk allemaal nogal toevallig.

    
Geluid wordt opgevangen en omgezet in een elektrisch signaal. Dit signaal wordt vervolgens doorgegeven aan de elektroden in de cochlea/slakkenhuis.

Kunt u vertellen waar het onderzoeksplan over gaat? Welke vraag staat centraal?

Vanuit de literatuur is bekend dat slechthorende kinderen achterlopen in hun orale taalontwikkeling ten opzichte van hun horende leeftijdsgenootjes. Door vroege gehoorscreening bij baby's is het mogelijk slechthorendheid in een vroeg stadium te detecteren en op jonge leeftijd te starten met interventie door middel van gehoorapparaten. Een andere mogelijkheid is cochleaire implantatie. De leeftijd van implantatie is in de loop der jaren gedaald. Kinderen van een jaar of jonger krijgen nu een implantaat. Uit onderzoek is naar voren gekomen dat indien men implanteert voor de start van de taalontwikkeling dit leidt tot een verbetering in de spraak- en taalvaardigheden.

Het blijft echter relevant het effect van CI op de taalontwikkeling meer in detail te bestuderen. Men heeft aangetoond dat de akoestische input van CI voldoende is om een taalsysteem mee op te bouwen, maar het is niet bekend of de perceptueel minder opvallende eenheden in het spraaksignaal ook worden waargenomen.  Concreet heb ik het dan over lidwoorden, voornaamwoorden en de vervoeging van werkwoorden (inflectie), ook wel bij elkaar geschaard onder de term morfosyntaxis. Met andere woorden het is niet bekend in hoeverre kinderen met CI op basis van akoestische input hun morfosyntaxis ontwikkelen.

 Mijn onderzoek is ingebed in een groter project dat onderzoek doet naar de morfosyntactische ontwikkeling bij kinderen met CI. Mijn onderzoek zal voornamelijk gaan over de verwerving van werkwoorden. Ik wil de groep CI kinderen vergelijken met een groep kinderen met SLI, dat staat voor Specific Language Impairment. Deze kinderen hebben grote moeite met de taalontwikkeling, in de afwezigheid van een andere cognitieve en/of sociale stoornis. Kinderen uit deze groep hebben veelal moeite met het verwerven van werkwoordsinflectie. Verschillende oorzaken zijn hiervoor aangedragen, waaronder auditieve verwerkingsproblemen. Bij beide groepen speelt perceptie dus een rol en ik wil kijken in hoeverre de morfosyntactische ontwikkeling van beide groepen met elkaar overeenkomt of verschilt.

Wat zijn de boeiendste kanten van het project?

De meest boeiende kant is dat ik mijn zoektocht naar het antwoord op de vraag wat de invloed is van horen op het verwerven van taal kan voortzetten en dan nog wel bij zo'n interessante populatie. Bovendien komt mijn intentie Spraak- en Taalpathologie te studeren in dit project terug; enerzijds de theoretische kant, de morfosyntaxis, anderzijds de praktische kant, twee klinische populaties onderzoeken en vergelijken.

Het project is een internationale samenwerking met de Universiteit van Antwerpen en de Oorgroep in Deurne. Door deze samenwerking wordt een team gevormd waarin het mogelijk is de data vanuit verschillende gezichtspunten te benaderen en zo optimaal te profiteren van ieder zijn/haar achtergrond en kennis.   

Welk resultaat hoopt u te behalen?

Vanuit wetenschappelijk oogpunt zou ik willen bijdragen aan een beter inzicht in de taalontwikkeling bij kinderen met hoorstoornissen en bij kinderen met ernstige taalmoeilijkheden. Ook naar de logopedische praktijk is het van belang beter in kaart te krijgen wat kinderen wel en niet kunnen, om testen en therapieën hier op aan te passen.

Ik  zou ook graag met mijn proefschrift willen bijdragen aan de ethische discussie omtrent CI. Toen ik voor het eerst las over CI kon ik mij niet voorstellen dat ouders een implantaat voor hun kind zouden weigeren. Maar is de CI-techniek geen bedreiging voor de dovencultuur? Men moet ervan bewust blijven dat een geïmplanteerd kind geen horend kind wordt en in die zin adequaat onderzoek essentieel is in de discussie over wel of geen CI.

Hoe bevalt het aio-bestaan op deze faculteit?

Ik kan nog niet echt veel zeggen over het aio-bestaan op de faculteit omdat ik pas in december 2006 ben gestart en midden februari voor mijn project tijdelijk in Antwerpen zit.  Voordat ik begon heb ik wel allerlei doemsceneario's in mijn hoofd gehad over eenzaamheid en slechte begeleiding, gebaseerd op waargebeurde verhalen van aio's uit het verleden. Tot nu toe is van beide nog geen sprake. Alleen al een blik op de LUCL site laat zien dat er veel activiteiten worden georganiseerd, dus dat voor eenzaamheid praktisch geen kans bestaat. Vanaf mijn eerste dag heeft mijn directe begeleidster aangegeven wat de mogelijkheden waren en waar ik het beste kon beginnen. Een aantal maanden verder zit ik volop in het project en geniet ik er nog elke dag van dat ik deze kans krijg.

 Lees verder op: www.lucl.nl, www.cnts.ua.ac.be/ci en www.deoorgroep.be

Ook in Forum, rubriek Het onderzoek van...?
Stuur een e-mail naar o.v.v. naam, onderzoeksproject en Onderzoeksinstituut.

                                    
 
   
vorige pagina top pagina