Universiteit Leiden
  home   contact      
 
 
 
Archief
   

Onderzoek

Project Open Access Leiden beëindigd;
UB gaat door met Dienst Open Access Leiden

Wie op de website van Google Scholar de zoekterm "WP Blockmans" gebruikt, krijgt - voorjaar 2007 - meer dan 200 zoekresultaten gepresenteerd. Wordt bij een treffer "openaccess.leidenuniv.nl" vermeld, dan is de publicatie na een of twee klikken met de muis onmiddellijk en volledig (full text) raadpleegbaar. Hoe is het gelukt om Leidse onderzoeksresultaten zó toegankelijk te maken en wat staat er op het gebied van de wetenschappelijke communicatie nog verder te gebeuren?

door Gerhard Jan Nauta

Geïnspireerd door het ideaal van open access - bronnen zijn openbaar beschikbaar, zonder toegangscontrole of extra kosten voor de gebruiker - nam de Stichting SURF in 2003 met het project Digital Academic REpositories (DARE) het initiatief tot de inrichting van digitale bewaarplaatsen van wetenschappelijke publicaties. Nederlandse universiteiten werd gevraagd om projecten op te zetten, deels gefinancierd uit SURF-gelden, om de repositoria te vullen. Het project Open Access Leiden (OAL, najaar 2004 - voorjaar 2007: http://oal.leidenuniv.nl/), onder leiding van Marlon Domingus (UB) vormt de succesvolle Leidse bijdrage aan DARE.

Natuurlijk is het ondoenlijk om in korte tijd de volledige wetenschappelijke productie van een hele academische instelling online te krijgen. Het gaat immers om honderdduizenden pagina's, terwijl lang niet alle recente publicaties rechtenvrij zijn. In Leiden werd ervoor gekozen om in 3 stappen te komen tot een zo breed mogelijk gedragen dienst voor open access. In de eerste fase werd in het kader van een landelijk project van SURF het werk van een selecte groep vooraanstaande wetenschappers (allen laureaten) verwerkt. In fase twee is daaraan de productie van een aantal onderzoeksgroepen toegevoegd. Bij Letteren werd in dit verband het werk van de classici (GLTC) gedigitaliseerd en opgenomen.

Bij de afronding van fase twee bleek dat het Leids Repositorium het goed heeft gedaan, ook in vergelijking met de andere wetenschappelijke instellingen in Nederland. En de Nederlandse instellingen doen het op hun beurt bijzonder goed naar internationale maatstaven gemeten. DARE wordt over de grens veelvuldig besproken als zijnde voorbeeldig. Eind februari 2007 stond de teller op zo'n 10.000 publicaties. De volgende grafiek geeft een indruk van de vulling van het Leidse repositorium:

Fase drie gaat nu van start. Er is een centrale voorziening gecreëerd, waarmee wetenschappers bij het registreren van hun werk in METIS ook een digitale versie van publicaties kunnen meesturen. Na enige technische controles zal de tekst via de website van het repositorium opvraagbaar zijn. De publicatie zal vervolgens ook (automatisch) zichtbaar worden op de universitaire homepage van de onderzoeker. Last but not least zal de publicatie vindbaar zijn met behulp van indexeerdiensten als Google Scholar, OAIster, e.a. De zichtbaarheid van het onderzoek verbetert daarmee enorm.

De digitale hoedanigheid van repositoria biedt ook nieuwe mogelijkheden. Zo kan het gebruik van de in een repositorium opgeslagen teksten precies worden bijgehouden. Welke publicaties werden opgevraagd? Hoe vaak? Wanneer? Vanuit welke landen? (Zie de figuur.)

In zekere zin wordt dus niet alleen de publicatie beter zichtbaar, maar ook - via de gebruiksstatistieken - de impact van auteurs. Dit is een veel besproken aspect en het open access initiatief voedt de discussies. Welke betekenis kunnen we aan de statistieken verbinden? Een gedownloade publicatie behoeft immers niet per se gelezen te worden. Geven de statistieken inzicht in de relaties tussen wetenschappers? Zijn de cijfers een indicatie van wetenschappelijke reputaties? Hoe verschillen op dit punt de bètawetenschappen van de alfawetenschappen? De scientometrie beleeft gouden tijden.

Op een onlangs gehouden mini-symposium - Open Acces @ work for Leiden Research, 3 november 2006 - kwamen die verschillen tussen alfa's en bèta's duidelijk naar voren. (Videoregistraties zijn beschikbaar via: www.oal.leidenuniv.nl/index.php3?m=28&c=180.) Een beetje gechargeerd gesteld: bèta's schrijven korte artikelen; vaak in samenwerkingsverband;  publiceren hun theorieën en experimenten bij voorkeur zo snel mogelijk op de al sinds het begin van de jaren negentig bestaande preprintservers (bijvoorbeeld die van arXiv.org: arxiv.org). Letterenmensen daarentegen schrijven solo (nog altijd) veel lijvige boeken; zij nemen daar de tijd voor en komen pas met hun resultaten op de proppen na zorgvuldig schaven en vijlen. Peer reviewing is onder bèta's gebruikelijker dan onder alfa's. En zo zijn er meer impliciete en expliciete conventies die de wetenschappelijke communicatie typeren. Maar alles is in beweging.

Een fraai voorbeeld van de nieuwe mogelijkheden is de website WorldCat Identities, een recentelijk in gebruik genomen service van het Amerikaanse OCLC (Online Computer Library Center). Via de website kan getraceerd worden in welke mate een publicatie (boek) vertegenwoordigd is in de grote bibliotheken van de Westerse (!) wereld. Ook wordt per auteur vermeld met welke andere auteurs (actueel en/of historisch) zijn/haar werk in verband gebracht kan worden. Welke wetenschapper is er nu niet benieuwd naar zijn presence? Doe daarom als uw supervisor en zoek het uit op: orlabs.oclc.org/Identities.

Het project OAL loopt dus nu ten einde, maar bij de Universiteitsbibliotheek wordt het werk door de dienst OAL voortgezet. Er is een auteursrechten-informatiepunt en achter de schermen wordt alles er aan gedaan om de verwachte stroom aan digitale bestanden richting databaseservers zo goed mogelijk te laten verlopen. Ook zal vanuit de UB gewerkt worden aan nieuwe diensten ter bevordering van de wetenschappelijke communicatie. Misschien krijgen straks toch ook de alfa's hun preprintserver?

                                    
 
   
vorige pagina top pagina