Universiteit Leiden
  home   contact      
 
 
 
Archief
   

Archief > Forum 7/05 > Interview

Interview

Wim van Anrooij, de nieuwe hoogleraar Nederlandse letterkunde tot de Romantiek

"Literatuur in de middeleeuwen was internationaler dan tegenwoordig."

Op tafel ligt een stapeltje sheets met laat-middeleeuwse tekeningen uitgewaaierd. "Een primeur. Ik kan bewijzen dat zich in dit handschrift de vroegste reeks portretten van de graven van Holland bevindt. En dat ligt dan gewoon in de Antwerpse Stadsbibliotheek!" Wim van Anrooij, behalve hoogleraar Nederlandse letterkunde tot de Romantiek ook directeur van onderzoeksschool Pallas, verricht zijn onderzoek in de marge van zijn overige werkzaamheden. Wat begon als een passie voor Couperus mondde uit in een speurtocht door middeleeuwse verzamelhandschriften. "We kunnen teksten uit die tijd pas goed begrijpen als we de grenzen van ons eigen vakgebied overschrijden."

 
Wim van Anrooij, hoogleraar Nederlandse letterkunde tot de Romantiek
(foto: Inge van der Hoeven)

door Inge van der Hoeven

Waarom bent u Nederlands gaan studeren?

"In feite uit pure belangstelling. Ik was in die tijd helemaal gek van moderne literatuur. Vooral Couperus fascineerde me. In die tijd gold een numerus fixus voor Nederlands. Negentig procent van de afgestudeerden kwam terecht in het onderwijs. Maar de kans dat je überhaupt een baan vond, was bijna nul procent. Ik ben dan ook in mijn laatste studiejaar gaan solliciteren. Dat ging echt van Maastricht tot Zwolle, maar ik heb ruim dertig afwijzingen binnen gekregen."

Maar uiteindelijk bent u toch hoogleraar geworden. Hoe is het goed gekomen?

"Ik heb voor de specialisatie middeleeuwse letterkunde gekozen omdat ik dacht dat ik daar nog het meeste van kon leren. Ik herinner me nog goed dat Ludo Jongen de collegezaal binnen kwam lopen en zei: 'Nu komt de beste hoogleraar van Nederland in Leiden werken!' Dat was Frits van Oostrom. Toen ik mijn afstudeerscriptie wilde schrijven, kwam ik bij hem terecht. Vrij toevallig, ik had nog nooit college bij hem gevolgd, maar hij nam op dat moment studenten aan. Met een systeemkaartje met een stuk of tien onderwerpen kwam ik bij hem en op basis daarvan vroeg hij meteen of ik wilde promoveren. Dat heeft me altijd erg verbaasd. Dat was in 1983. Vervolgens ging in 1989, een jaar voordat ik promoveerde, het onderzoeksproject NLCM (Nederlandse Literatuur en Cultuur in de Middeleeuwen) van start. Daarvan heb ik ontzettend veel opgestoken. De organisatie van congressen en themawerkgroepen, betrokkenheid bij proefschriften, sollicitatiegesprekken, ik werd als het ware in het vak ondergedompeld. Zoals Van Oostrom zelf altijd zei: 'Je moet geluk hebben, maar je moet het ook grijpen.'"

Zijn er zaken waar u zich, als opvolger van Frits van Oostrom, specifiek voor in gaat zetten?

"Achteraf gezien vind ik dat het internationale aspect onderbelicht gebleven is. Er wordt weinig gedaan om internationale congressen te organiseren en buitenlandse contacten zouden meer uitgebouwd kunnen worden. Tot voor kort was de studie van de Middelnederlandse letterkunde heel sterk op Nederland en Vlaanderen gericht. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar je moet je voorstellen dat Nederland in de middeleeuwen nog helemaal niet bestond. In feite was de literatuur toen internationaler dan nu. De basis was in heel Europa dezelfde; dat was namelijk de Latijnse traditie. Aan de literaire contacten tussen Frankrijk en Nederland wordt weliswaar al een tijd veel aandacht besteed, maar dat was voornamelijk eenrichtingsverkeer. Franse teksten werden in het Middelnederlands vertaald, maar andersom gebeurde dat nauwelijks. Tussen de Lage Landen en de rest van het Duitse Rijk bestond echter een levendig literair verkeer. Dat moeten we systematisch onderzoeken. Daarbij spelen verzamelhandschriften een belangrijke rol."

Waarom zijn verzamelhandschriften dan zo belangrijk?

"Als we het tegenwoordig over literatuur hebben, denken we in de eerste plaats aan romans. Dat betekent één tekst per boek. Maar als je in de middeleeuwen een boek in handen nam, had je gelijk een heleboel teksten te pakken. Die konden ook nog eens in verschillende talen geschreven zijn. Er zijn voorbeelden bekend van verzamelhandschriften met teksten in het Middelnederlands, Duits en Latijn, allemaal in een boek gebundeld!

De nadruk heeft tot voor kort sterk gelegen op de auteur van de oorspronkelijke tekst. Maar literatuurgeschiedenis is meer dan een hordenloop van het ontstaan van de ene tekst naar het ontstaan van de volgende. Daarbij komt dat het verschil tussen kopiist en auteur vaak problematisch is. Als je bedenkt dat een oorspronkelijk werk soms aanzienlijk korter is dan een later 'afschrift', dan kun je de kopiist misschien ook wel deels auteur gaan noemen. Doordat die gekopieerde en aangepaste teksten in verzamelhandschriften vaak veel gemakkelijker te dateren zijn dan de oorspronkelijke versies, kunnen we heel veel te weten komen over het publiek waar het handschrift in de periode van kopiëren voor bedoeld was. De aandacht in dit vakgebied verschuift nu dan ook voor een deel naar het ontstaan van teksten naar de secundaire receptie ervan in handschriften."

Met wat voor onderzoek bent u nu bezig?

"Ik had al een tijdje een verzamelhandschrift op het oog van Hendrik van Heessel, een vijftiende-eeuwse heraut die voor drie opeenvolgende Duitse keizers en daarna voor de Bourgondiërs heeft gewerkt. Hij kopieerde Latijnse, Middelnederlandse en Duitse teksten. Men dacht altijd dat hij een Duitser was, maar ik kan nu bewijzen dat hij uit de Neder-Betuwe kwam en een Middelnederlands auteur was! Daar komt nog bij dat het handschrift de vroegste reeks tekeningen van de graven van Holland bevat. En dat ligt dan gewoon in de Antwerpse Stadsbibliotheek! Dat zegt wel iets over de stand van zaken in dit vakgebied: er valt nog heel wat te ontdekken." 

Wat kan er dan nog verbeterd worden?

"Met de verschuiving van de aandacht in de richting van verzamelhandschriften is het erg belangrijk om interdisciplinair te werk te gaan. Om te beginnen moeten we een breed literatuurbegrip hanteren. Alle schriftelijke bronnen, ook oorkonden en rekeningen, moeten bestudeerd worden. Daarnaast zijn tal van vakgebieden van belang, zoals paleografie, codicologie, geschiedenis, kunstgeschiedenis, heraldiek, filosofie, rechten, noem maar op. Ik ben dan ook een enorm voorstander van interdisciplinariteit. Het is natuurlijk goed dat studenten binnen een discipline hun opleiding starten, maar voor het vervolg zouden we geen al te strenge systeemscheiding moeten toepassen. Dat is een van de redenen dat ik het bijvak mediëvistiek heb opgezet, waarin studenten en docenten uit allerlei opleidingen samenwerken. Soms geven we daar colleges met drie docenten tegelijk!"

En u bent ook nog directeur van onderzoeksschool Pallas. Hoe combineert u deze functie met uw taken als hoogleraar?

"Tja, als ik geen directeur was, zou ik waarschijnlijk meer tijd hebben voor onderzoek. Maar ook als ik hier klaar ben, komen er wel weer bestuurstaken om de hoek kijken: het blijft schipperen. Maar er moet steeds meer geregeld worden, de universiteit is een ingewikkeld bedrijf geworden. Hoewel de kwaliteit de laatste decennia aanzienlijk is toegenomen, maken we het onszelf soms wel moeilijk. Neem nu de internationalisering: we halen internationale studenten naar Leiden. Dan hebben we docenten nodig die goed Engels spreken. Die moeten een taaltoets afleggen op het talencentrum en zonodig worden bijgespijkerd. Alleen docenten van wie het Engels goed genoeg is, mogen worden ingezet in het Master-onderwijs. Dat moet weer worden gecontroleerd. En dan heb ik het nog niet over de toelatingsprocedure. Zo kun je nog een hele tijd doorgaan. Een beetje minder bureaucratie zou soms prettig zijn."

Maar het begon allemaal met een passie voor moderne literatuur. Wat is het laatste boek dat u heeft gelezen?

"Extremely Loud and Incredibly Close van Jonathan Safran Foer. Ik lees in mijn vrije tijd eigenlijk voornamelijk moderne literatuur van buitenlandse schrijvers. Wat mij fascineert aan literatuur is dat veel mensen zich niet realiseren hoe zeer ze worden beïnvloed door wat we fictie noemen. Ze doen vaak alsof ze honderd procent rationeel handelen. Maar heb jij een beeld van bijvoorbeeld Peking? Ja toch? Ook al ben je er nog nooit geweest. Die onduidelijke grens in onze geest tussen wat we feit en fictie noemen, dat interesseert me mateloos."

 www.nederlands.leidenuniv.nl 
 www.pallas.leidenuniv.nl
 Tekst oratie: Handschriften als spiegel van de Middeleeuwse tekstcultuur [pdf]

                                    
 
   
vorige pagina top pagina