Universiteit Leiden
  home   contact      
 
 
 
Archief
   

Archief > Forum 6/05 > Van de decaan

    

Van de decaan

I love Nederlands spreken

Wie wel eens een Nederlandse autoweg oprijdt, wordt sinds kort geconfronteerd met portalen boven de weg met electronische informatie. Dat kan heel nuttig zijn. Als er geen bijzonderheden zijn, krijgen we toch iets te lezen, aansporingen als I love afstand houden of I love rechts rijden. Vanuit taalkundig perspectief zijn dit interessante aansporingen van de overheid, of althans de organisatie die verantwoordelijk is voor dit soort teksten. We kennen allemaal het verschijnsel van taalcontact, en de effecten ervan op de taalsystemen die met elkaar in contact komen. Het gebruik van Engelse leenwoorden in het Nederlands als effect van taalcontact is wijd verspreid, en niet zonder meer een reden tot grote verontrusting (al bestaat er een stichting LOUT, Let Op Uw Taal, die daartegen in het geweer komt). Maar opmerkelijk aan de bovenstaande voorbeelden is dat hier de syntaxis van twee talen vermengd wordt. Immers, het gedeelte afstand houden heeft een typisch Nederlandse woordvolgorde, met het lijdend voorwerp voor het werkwoord, terwijl I love de woordvolgorde van onderwerp en werkwoord heeft die voor beide talen de correcte is. Een opmerkelijke vermenging van de grammatica's van twee talen dus. We lenen hier, zo lijkt het, geen woorden, maar een constructie I love x, waarbij bij x iets in het Nederlands ingevuld kan worden.

Ik denk dat het die vermenging van twee grammatica's is die mij doet gruwen van zulk soort Nederlands/Engels. Zelf ben ik geen purist, en een zekere ontspannen houding ten aanzien van het gebruik van leenwoorden uit andere talen lijkt me niet verkeerd, want ontlening van woorden is van alle tijden en van (bijna) alle talen. Maar dit soort oproepen wekt toch de indruk dat de dienaren van de Nederlandse overheid wel heel weinig geven om de eigen taal van Nederland, en eerlijk gezegd vind ik het gênant, als ik buitenlandse collega's dit soort teksten moet uitleggen. We hebben nu zelfs ook de leus I Amsterdam die blijkens de typografie moet worden gelezen als I am Amsterdam. Dat is tenminste een zinnetje dat volledig Engels is, al is de betekenis niet erg duidelijk.

Meertaligheid is een groot goed, en voor de meeste mensen geldt dat ze meer dan een taal kennen en gebruiken. Dat is dus niet het probleem. De kwestie is anders: wanneer gebruiken we welke taal? Waardering voor meertaligheid impliceert niet dat we zulke krom geformuleerde oproepen aan automobilisten acceptabel vinden. En verder: het gaat erom dat we er meer oog voor hebben in welke domeinen we het best onze moedertaal (en dan onversneden) gebruiken, en in welke domeinen een lingua franca als het Engels. Mijn standpunt is dat we een lingua franca alleen moeten gebruiken voor domeinen waar dat zinnig is.

Hoe gaan we om met meertaligheid in onze faculteit? Wetenschappelijk publiceren in het Engels is terecht heel gewoon geworden, en niet echt meer een issue, ook al vinden er nog steeds discussies over plaats, zoals recent in NRC-Handelsblad, met bijdragen van Draaisma en Pels. Verder kregen we vorig jaar een advies van de KNAW hierover onder de titel Nederlands tenzij. Een te waarderen boodschap van deze brochure is dat publicaties in het Nederlands niet noodzakelijkerwijs tweederangs zijn, en wel degelijk groot wetenschappelijk belang kunnen hebben. Maar de formule van de KNAW is te simplistisch, en de boodschap had beter kunnen zijn: gebruik het Engels als dat beter werkt om je relevante gehoor te bereiken, en Nederlands als dat de beste taal is om je doel te bereiken.

Twee jaar geleden had ik een ontmoeting met een van de opperhoofden van de Franse CNRS. Hij vertelde dat hij een analyse had laten maken van de impact van een groot aantal door de CNRS gesubsidieerde Franstalige tijdschriften. Toen bleek dat artikelen in deze tijdschriften alleen werden geciteerd in diezelfde tijdschriften, en vrijwel nergens anders. Door aan het Frans als wetenschapstaal vast te houden, deden Franse wetenschappers zich dus duidelijk te kort. Mijn zegsman heeft dan ook besloten de subsidies stop te zetten of fors te verminderen. Mijn eigen ervaringen met Franse collega-taalkundigen zijn vergelijkbaar: ze zetten vaak hun licht onder de korenmaat door krampachtig, of uit gebrek aan beheersing van het Engels, in het Frans te publiceren.

Een ander heel praktisch probleem is dat de Nederlandstalige markt domweg te klein is voor sommige wetenschappelijke publicaties, zelfs die over de Nederlandse taal. Een paar geleden publiceerde ik bijvoorbeeld een monografie over de morfologie van het Nederlands, waarvoor het niet duidelijk was of er zelfs maar een Nederlandse uitgever zou zijn die het zou willen uitgeven. De keus voor Engels als de taal van dit boek was daarnaast verstandig omdat zo ook internationale belangstelling van linguïsten voor het Nederlands gewekt kan worden.

We willen als universiteit terecht verder internationaliseren. Het debat over de taal van onze publicaties is dan niet het echte debat, maar mogelijk nog wel dat niet-Engelstalige publicaties de juiste waardering ontvangen. Internationalisering betekent wel dat we langzamerhand een universitaire taalpolitiek moeten ontwikkelen. Wanneer spreken we Nederlands, en wanneer Engels? Hoe doen we dat bij universitaire plechtigheden. Welke documenten moeten in het Engels? En als we het Engels gebruiken, doen we het dan goed? Het Expertisecentrum Academisch Engels biedt ons hulp bij het vertalen van een aantal academische termen (zie www.vertaalhulp.leidenuniv.nl), maar er is natuurlijk veel meer nodig. Het ideaal van meertaligheid houdt nooit in dat we onze moedertaal minachten. Het vraagt van ons wel nadenken over: welke taal in welk domein, en bij welke gelegenheid?

Goede beheersing van het Engels is van groot belang als we dit soort meertaligheid willen bereiken. Ik zou niet graag in een recensie van een Leidse dissertatie lezen, wat in 2000 geschreven stond in het tijdschrift Language over een Engelstalige Nederlandse dissertatie verdedigd aan een andere Nederlandse universiteit: "Finally, a rather unfortunate feature of the book is that it often appears to be written in a kind of (Dutch-English?) interlanguage. While this is interesting from a linguist's perspective, it sometimes distracts attention away from the content".

Graag zal ik er daarom aan bijdragen dat de rol en het gebruik van het Engels op de universitaire beleidsagenda blijven staan.

Geert Booij

                                    
 
   
vorige pagina top pagina