Universiteit Leiden
  home   contact      
 
 
 
Archief
   

Archief > Forum 6/05 > Van het bestuur

Uit de bestuursvergadering

Een nieuwe allocatiesystematiek

In de begroting voor 2004 werd de noodzaak voor een nieuwe allocatiesystematiek voor de bepaling van de fte's per opleidingseenheid al genoemd: de tot nu toe vigerende allocatiesystematiek is verouderd, alleen al omdat deze duidelijk verschillende parameters kende voor de "westerse" en "niet-westerse" opleidingen.

Inmiddels heeft de Faculteitsraad ingestemd met een nieuw allocatiemodel. Dit kent als één van de belangrijkste parameters het aantal verzorgde ECTS in enig cursusjaar: 1 verzorgde ECTS-punt voor 1 student levert 1,1 docenbelastingsuur (dbu) op. Hierbovenop kennen de master-opleidingen een "nullast" die afhangt van het aantal afgesproken specialisaties. Verder kent de bachelor een minimumformatie: voor de opleidingen met minder dan 10 studenten instroom per jaar is dat 1.833 dbu; voor de overige opleidingen is dat 2.750 dbu. Deze minimumformaties en het bedrag van 1,1 dbu per gerealiseerde ECTS zijn afgeleid van de nota "Normprofielen".

Bovenop deze uren voor onderwijs komen nog de volgende opslagen:

  • voor onderzoek (46% van de onderwijsuren in het westen; 78% van de onderwijsuren in het niet-westen);
  • voor bestuur en beheer (4% van de onderwijs- en onderzoeksuren);
  • specifieke toewijzingen;
  • promotiebegeleiding (260 dbu per gerealiseerde promotie, waarbij gemiddeld wordt over 5 jaar).

Deze maand worden de gegevens over het onderwijs in 2004-2005 geactualiseerd; vervolgens zal een berekening van de indicatieve formatie op grond van het nieuwe allocatiemodel aan de betrokken eenheden worden gezonden.

De daadwerkelijk toegestane formatie per opleiding in 2006 wijkt in veel gevallen af van deze indicatieve formatie. Deze is over het algemeen gebaseerd op de indicatieve formatie uit 2004 die als uitgangspunt diende voor de bezuinigings- en reorganisatievoorstellen. Voorzover de financiën van de faculteit het toelaten, is het evenwel te vroeg om te proberen zo snel mogelijk van de huidige naar de indicatieve formatie volgens het nu voorliggende model te komen. Daarvoor zijn namelijk de volgende factoren nog te ongewis:

  • de daadwerkelijke instroom in de masterfase, met name vanuit andere universiteiten in binnen- en buitenland;
  • de instroom in de onderzoeksmasters en het daaraan gekoppelde onderwijs;
  • de ontwikkeling van de instroom aan eerstejaars bachelorstudenten;
  • eventuele plannen voor herziening van opleidingen.

Dit alles impliceert dat vooralsnog de formatie "bevroren" blijft op het niveau van 2004.

Wel telt de indicatieve formatie mee bij het bepalen van de noodzaak van het vervullen van vacatures. Bij afwijkingen groter dan bijvoorbeeld 10% kunnen dan additionele maatregelen voor de formatietoekenning noodzakelijk zijn.

Ook blijft het beleid gehandhaafd om vacatures in principe alleen tijdelijk op te vullen en voortdurend na te gaan of bepaalde expertise elders kan worden ingezet.

                                    
 
   
vorige pagina top pagina