Universiteit Leiden
  home   contact      
 
 
 
Archief
   

Archief > Forum 5/05

Onderzoek

Leidse stellingen

Ze zijn te vinden op een los velletje papier tussen de volgeschreven pagina's van het proefschrift: de stellingen van een promovendus. Twaalf of dertien zinnen met eigen bevindingen, kleine speldeprikken, interessante ontdekkingen en boeiende theorieën. Forum besteedt in deze rubriek aandacht aan een selectie van stellingen uit recent verschenen proefschriften bij de Letterenfaculteit.

Stellingen behorende bij het proefschrift van Chiara Robbiano, Becoming being. On Parmenides' transformative philosophy.

  • Stelling 1.
    Het gedicht van Parmenides bestaat niet voornamelijk uit beschrijvingen van het zijn maar voornamelijk uit een appèl op het gehoor en adviezen om uiteindelijk inzicht in het zijn te verkrijgen.

Robbiano: "Parmenides schreef in de eerste helft van de 5de eeuw voor Chr. een gedicht dat zijn gehoor met een nieuw begrip laat kennismaken: eon, 'wat is', 'wat er is', 'het zijn'. Hij is beschouwd als de vader van de Westerse logica en metafysica. Vaak hebben geleerden zich geconcentreerd op 'het zijn' en op de beschrijvingen die Parmenides geeft van dit nieuwe metafysische ofwel logische object. Maar, als hij de uitvinder was van logica en metafysica, kunnen we niet er van uit gaan dat de mensen in zijn gehoor ook logici en metafysici waren. Zijn gehoor moest eerst geprikkeld worden, verleid door de woorden van het gedicht en vervolgens verzekerd van zijn mogelijkheid om het zijn te begrijpen.

Parmenides ensceneert een ontmoeting van een godin en een reiziger. De godin biedt aan de reiziger met wie het gehoor zich kan identificeren veel meer dan beschrijvingen, namelijk bijvoorbeeld uitnodigingen: "Look likewise at absent things, with your mind, and at present things, steadily" (fragment B4, 1 in mijn Engelse vertaling); eisen: "It is required to say and understand this: Being is; for to be is, /and nothing is not" (fragment B6, 1-2); vleierijen: "Oh, young man-partner of immortal charioteers" (fragment B1, 24); retorische vragen: "which kind of origin of it [Being] will you look for?" (fragment B8, 6); paradoxale uitdrukkingen: "And after this, learn the opinions of the mortals/ listening to the deceitful order of my words" (fragment B8, 51-2). De studie van deze uitdrukkingen kan ons helpen om te herconstrueren hoe Parmenides zijn gehoor, dat geen idee van filosofie had, heeft getransformeerd in filosofen."

  • Stelling 4.
    Uit de fragmenten van Parmenides en Heraclitus blijkt dat beide denkers ervan overtuigd waren dat de waarheid niet volledig in woorden uitgedrukt kan worden maar dat woorden kunnen helpen om de waarheid te willen en te kunnen vinden.

Robbiano: "Het beroemde fragment van Heraclitus B93 "The lord whose oracle is in Delphi neither speaks out nor conceals, but gives a sign" is vaak geïnterpreteerd als van toepassing niet alleen op de taal van orakels maar ook op de taal van Heraclitus. Hij bedoelt dat het niet mogelijk is om de waarheid op het oppervlak van woorden te vinden, maar als woorden correct zijn geïnterpreteerd, dan kunnen ze helpen om dicht bij de waarheid te komen. Woorden zijn tekens, en de woorden van een filosoof zijn net zoals orakels gegeven aan de stervelingen door een goddelijke spreekbuis: ze zijn zoals bliksems, vogels, levers van geofferde dieren, dromen: betekenisvol en behulpzaam om de mens dichtbij de waarheid te brengen voor degene die de tekens kan interpreteren, betekenisloos voor alle anderen.

Parmenides' godin introduceert wat als 'beschrijvingen' van het zijn kunnen gelden, met hetzelfde woord 'tekens': ze zal hem tekens geven, zegt ze tegen de reiziger. Door dat woord te laten vallen, roept het gedicht het kader op van een god die tekens (bijvoorbeeld bliksems, orakels en dromen) aan een sterveling geeft om hem een blik aan te bieden in waarheden die goden weten en stervelingen niet. De sterveling moet ook bij de tekens van de godin van Parmenides aan de slag: aan het oppervlak zijn ze beschrijvingen van het Zijn, maar voor wie ze kan interpreteren is er veel meer dan dat te vinden."

  • Stelling 5.
    De aanwezigheid van twee onverenigbare doch aannemelijke perspectieven op de werkelijkheid is net zo acceptabel en waardevol in Parmenides' gedicht als in de Griekse tragedie.

Robbiano: "Vaak worden er in tragedies twee tegengestelde invalshoeken op een kwestie naast elkaar gezet die het gehoor dwingen om met hun aannemelijkheid én onverenigbaarheid rekening te houden. Denk aan de standpunten van Pentheus en Dionysos, in Euripides, Bacchae. Pentheus is tegen de introductie van nieuwe godsdiensten en Dionysos is er in dit geval voor. Of denk aan Jason, en zijn beleid van 'verstandige huwelijken' en Medea die een heel ander opvatting daarover heeft. Allebei coherent, maar kunnen we kiezen een van deze perspectieven en het beschouwen als altijd juist in wat dan ook voor situatie? Sommige geleerden, zoals Henk Versnel, hebben de aanwezigheid van twee incompatibele maar coherente perspectieven in tragedie geaccepteerd en scherp geanalyseerd.

Als een vergelijkbare situatie zich voordoet in een filosofisch gedicht zoals dat van Parmenides, is de gemeenschap van geleerden veel minder bereid om dat te accepteren. En toch biedt ook Parmenides aan zijn gehoor twee perspectieven: van de Waarheid en van de Opvattingen. Vanuit het standpunt van de Waarheid staat alles stil, verandert niet en spelen de tegenstellingen geen rol. De grens tussen leven en dood hoeft ons geen zorgen meer te baren, omdat die grens conventioneel is en niet overeenkomt met de werkelijkheid. Grenzen die onoverbrugbaar leken, hoeven ons niet meer te stoppen. Vanuit het standpunt van de Opvattingen daarentegen, ontstaan dingen, groeien en vergaan; embryo's differentiëren zich in mannetjes en vrouwtjes, en allerlei tegenstellingen helpen ons om ons in deze wereld te bewegen en grip erop te krijgen. Beide perspectieven zijn coherent in zich zelf maar incompatibel met de andere. Beide worden aangeboden aan het gehoor."

  • Stelling 10.
    Het frequente gebruik van geraffineerde arguments quasi logiques door galante piraten, lieftallige vrouwen en wellustige monniken om (meer) seks te krijgen en te legitimeren in Boccaccio's Decameron weerspiegelt -en draagt bij aan- de overgang van een ridderlijke en christelijke cultuur tot een avontuurlijke en op vernuft gebaseerde koopmanscultuur.

Robbiano: "Arguments quasi logiques zijn volgens Perelman en Olbrechts-Tyteca persuasieve strategieën die overtuigend zijn omdat ze op logische gevolgtrekkingen lijken, die het gehoor zou kunnen beschouwen als onfeilbaar.

In Decameron, VI, 7 gebruikt Madonna Filippa de argumentatie van deel en geheel. Filippa wordt betrapt met haar minnaar en naar de rechtbank gesleept. Ze rechtvaardigt zich door de behoefte aan seks van een individu als een geheel te beschrijven dat uit delen bestaat. Zij geeft haar echtgenoot een bepaalde hoeveelheid seks die voor hem genoeg is (zijn gehele behoefte is bevredigd). Maar die hoeveelheid is maar een deel van haar eigen behoefte: een deel daarvan blijft onvoldaan. En dat is het deel dat ze samen met haar minnaar tot bevrediging brengt. Madonna Filippa is vrijgesproken.

Van andere voorbeelden wordt het duidelijk dat de personages -monniken, nonnen, ridders, dienaars, en edelvrouwen- er 'middeleeuws' uit zien: ze zijn niet zo verschillend van de personages van de Novellino, een eeuw eerder (dertiende eeuw) geschreven. Maar zodra ze beginnen te praten en elkaar te overtuigen ontdek je onmiddellijk hun onderhandelcapaciteiten, hun vertrouwen dat alles d.m.v. woorden veranderd kan worden en hun vertrouwen dat zelfs de meest heilige waarheden gebruikt kunnen worden als strategieën om met elkaar naar bed te gaan.

In Decameron, III, 10 is Alibech een prachtige hele jonge dame die bij de monnik Rustico op bezoek gaat in de woestijn om van hem de wonderen van de Christelijke religie te horen. Hij begint met een paar basiswaarheden over hemel en hel, en de belangrijkste inwoners van deze plekken. Vervolgens belooft hij om haar te leren om de duivel, die soms ontsnapt, in de hel te stoppen. De duivel is gepresenteerd als een deel van de hel, die zonder duivel niet compleet is. Rustico kleedt zich uit en laat de duivel zien en vervolgens demonstreert hij waar de hel is en hoe zij god kan helpen door de duivel in de hel te stoppen."

  • Stelling 12.
    Het is aan te bevelen om niet direct in te gaan op een aanval maar eerst de juiste afstand te herstellen om vervolgens de aanval, zonder je correcte houding te verliezen, te neutraliseren.

Robbiano: "Dit is oorspronkelijk een aikido stelling. Aikido is een Japanse vechtkunst, waarbij als je aangevallen bent, je de energie, snelheid en kracht van de aanvaller gebruikt, om zijn aanval te neutraliseren. Dus je stopt zijn slag niet, maar je beweegt weg van de lijn van de aanval, je stapt opzij, en vanuit die positie hoef je heel weinig te doen, om hem naar de grond te krijgen. De aanvaller heeft zijn balans en houding verloren, terwijl je alleen een stapje hebt gedaan en alles onder controle hebt: je ziet waar hij is, je bent niet verrast.

Maar dit is niet enkel een aikido stelling. Elke dag kan er sprake zijn van agressie, ook gewoon een gemene opmerking van een bazige collega of buurman. Ook daar geldt precies hetzelfde als bij aikido. Als iemand iets onaardigs doet, verlies je houding niet, wees niet de slachtoffer en reageer niet als de aanval en de aanvaller nog te dichtbij zijn, bijvoorbeeld als je woedend bent, want dan zou jij ook heel agressief kunnen worden, en dat zou niets oplossen. Zoals bij een slag is het beter om opzij te stappen en de snelheid van degene die sloeg te gebruiken om hem naar de grond te brengen: hij zal begrijpen dat hij is gevallen vanwege zijn stomme stunt, niet vanwege jouw agressie. Dus reageer niet totdat je weer ontspannen bent, schep een afstand tussen jou en de aanval, voordat je, ontspannen, iets doet. Misschien zal de ander inzien dat zijn aanval nergens naartoe leidt."


Promotie 29 juni 2005
Promotoren: prof.dr. I. Sluiter en prof. dr. F.A.J. de Haas
Dissertaties Online

Stellingen behorende bij het proefschrift van D.F. Rijkels, Agnosis en Diagnosis.
  • Stelling 3. Het beeld van de Pestis Cypriani als catastrofale pandemie is ontstaan uit een propagandistisch construct van apologetisch-christelijke schrijvers uit de vierde en vijfde eeuw.
  • Stelling 4. Pest was waarschijnlijk al endemisch in delen van het Middellandse Zeegebied sedert het begin van de christelijke jaartelling. Het desondanks uitbreken van enkele pandemieën van Pest moet worden verklaard uit de instabiliteit van het genoom van Yersinia pestis.
  • Stelling 5. Medisch gezien kan men stellen dat, naar beschrijvingen van auteurs als Plutarchus, Appianus en Pausanias, de Romeinse dictator Cornelius Sulla Felix (138-79 v.C.) een feestneus had en was. Retrospectief diagnostisch beteknt dit dat hij waarschijnlijk bij leven leed aan acne rosacea met een ernstige vorm van rhinofyma, en dat hij stierf aan oesofagus-varices in verband met levercirrose door alcoholmisbruik.
  • Stelling 9. De globalisering van de beschikbaarheid van bronnen via het internet maakt de geschiedschrijving steeds persoonlijker en subjectiever.
  • Stelling 11. Wie in het Romeinse Rijk de bof had gehad gepokt en gemazeld te zijn, kon altijd nog griepen dat hij de pest kon krijgen.


Promotie 22 juni 2005
Promotor: prof.dr. L. de Ligt

 

                                    
 
   
vorige pagina top pagina