Universiteit Leiden
  home   contact      
 
 
 
Archief
   

Archief > Forum 4/05 > Redactioneel


Mijn laatste

Redactioneel door Ton van Haaften

Omdat het redactioneel in het volgende (september-)nummer van Forum zal zijn geschreven door Geert Booij, is dit mijn laatste. Het is onder bestuurders niet ongebruikelijk bij zo'n gelegenheid beleidsmatig om te zien en op te sommen wat er niet maar toch vooral wat er allemaal wel is bereikt, om vervolgens bescheiden maar ferm te concluderen dat de organisatie er door de bank genomen heden ten dage aanmerkelijk beter voor staat dan drie of vijf of zeven jaar geleden en dat er inmiddels een scala aan kansen is geschapen, doordat er vanuit een duidelijke en krachtige visie is bestuurd.

Ik houd daar niet zo van: een bestuurder moet zichzelf niet de maat nemen maar dat aan anderen overlaten, onder meer aan hen die de consequenties van haar of zijn beleid aan den lijve hebben moeten ondervinden. In het bijzonder het benadrukken van de voortreffelijkheid van de eigen visie stoort mij zeer, vooral omdat wat ons door deze zogenaamde visionaire bestuurders als originele en bijzondere brede blik wordt gepresenteerd, op de keper beschouwd meestal niet meer is dan een koppel idées reçues.

Nu is dat tamboereren op de eigen visie ook weer niet zo verwonderlijk; een bestuurder wordt immers met de regelmaat van de klok een gebrek eraan verweten. Vraag iemand wat hij van de kwaliteiten van die en die bestuurder vindt, en tien tegen één dat het spontane en gewichtige antwoord zal zijn dat niet duidelijk is vanuit welke overkoepelende visie wordt bestuurd. En blijkbaar worden veel bestuurders daar zo zenuwachtig van dat ze zichzelf gaan overschreeuwen.

Zelf heb ik van dit soort kritiek om twee redenen nooit een moment wakker gelegen. In de eerste plaats heb ik gemerkt dat kritikasters die zo hartstochtelijk naar bestuurlijke visie smachten, in veel gevallen vooral uit zijn op de verheffing van het beperkte eigenbelang tot de status van het algemeen belang. (Net zoals ik regelmatig ongevraagd het advies heb gekregen om keihard en zonder genade in te grijpen, te bezuinigen, voorzieningen op te heffen et cetera, maar dan wel bij des adviseurs buurman.) Daar moet een bestuurder zich natuurlijk niet voor lenen.

De belangrijkste reden voor mijn laconiekheid in dezen is echter dat ik vind dat in bestuur en politiek - in tegenstelling tot in wetenschap en kunst - een alomvattende visie maar beter achterwege kan blijven. Want hoewel een gevleugelde uitspraak luidt: 'waar visie ontbreekt, komt het volk om', is zeker in de twintigste eeuw, maar natuurlijk ook eerder, gebleken dat in de praktijk het tegendeel het geval is: juist waar een grootse politieke visie regeert, komt het volk om. En dat geldt in het groot (de wereldpolitiek) maar ook in het klein (het facultaire beleid).

Die gevleugelde uitspraak is overigens ontleend aan de regeringsverklaring die Joop den Uyl namens zijn kabinet op 28 mei 1973 uitsprak. Den Uyl - voor wie ik trouwens een groot zwak had - heeft zich waarschijnlijk laten inspireren door Spreuken 11:14. In de Statenvertaling valt te lezen: 'Als er geen wijze raadslagen zijn, vervalt het volk; maar de behoudenis is in de veelheid der raadslieden.'; in de nieuwe bijbelvertaling vinden we: 'Door gebrek aan visie gaat het volk ten onder, een keur van raadgevers brengt het tot bloei'. Ik weet niet wat de best verdedigbare vertaling van de brontekst is, maar ik voel me - zoveel zal wel duidelijk zijn - veel meer aangesproken door de Statenvertaling.

Open en pluriforme samenlevingen - in het groot en in het klein - verdienen het nog steeds, hartstochtelijk te worden verdedigd tegen hun vijanden; niet door te negeren, te confronteren en te vechten maar door te luisteren, te praten en te argumenteren. Ook onze prachtige faculteit vormt zo'n open en pluriforme gemeenschap, waar onderwijs wordt gegeven over en onderzoek wordt gedaan naar een keur van onderwerpen vanuit zeer verschillende benaderingen. Ik heb het als mijn eerste en belangrijkste taak gezien om die diversiteit zoveel mogelijk in stand te houden en te laten bloeien. Daarvoor is het nodig om op veel deelterreinen een helder beleid te ontwikkelen op basis van goede en interessante ideeën, in concrete situaties keuzes te maken op basis van strenge kwaliteitscriteria en knopen door te hakken mede in het licht van de veranderende wereld om ons heen en vaak binnen een onzekere context; en daar zijn vele wijze raadslagen voor nodig en een keur van raadgevers. Maar dat is heel iets anders dan alles en iedereen op het procrustesbed leggen van een alles bepalende grootse visie. Mij hoeft men zich dus niet te herinneren als de visionaire bestuurder; ik ben al zeer dankbaar als men vindt dat ik de boel aardig bij elkaar heb weten te houden.

Drie jaar geleden sloot ik mijn eerste redactioneel af met een toepasselijk zomergedicht en dat doe ik ook in mijn laatste: 'Bloemen geuren' van K. Schippers.

                              Elke bloem heeft een speciale
geur. De roos, tulp, margriet,

narcis, leeuwenbekje, heide,
lelietje van dalen, klaproos,

anjer, madeliefjes, krokussen,
de korenbloem. Niet allemaal

ruiken ze lekker. Bij voorbeeld
de anjer, die ruikt niet zo

lekker als de roos. De lelie
van dalen ruikt erg lekker.

Veel en veel lekkerder dan de
anjer. Dus ruik vooral niet

aan de anjer. Dit weten we
dan ook weer. Dag allemaal!

                                    
 
   
vorige pagina top pagina