Universiteit Leiden
  home   contact      
 
 
 
Archief
   

Raad je plaatje in 148: de renovatie van de LUF-zaal afgerond

De kopstukken van de Leidse universiteit die hun naam aan de gebouwen en locaties van het WSD-complex lenen, hebben letterlijk een gezicht gekregen. Sinds afgelopen najaar hangen zij in een eregalerij in de LUF-zaal van het Lipsius (ofwel zaal 148). Deze zaal is mede dankzij een subsidie van het LUF opgeknapt. Onder anderen afstudeerders hebben zo een passende ruimte tot hun beschikking nu het Academiegebouw langdurig gerenoveerd wordt. Sinds vorige maand kunnen de kersverse alumni, hun familie en vrienden dankzij bijschriften bovendien nader kennismaken met deze befaamde geesteswetenschappers uit vroeger tijden. Mocht u geen gelegenheid hebben op korte termijn de drukbezette zaal binnen te sluipen, niet getreurd; hieronder kunt u hetzelfde doen.

       

Matthias de Vries (1820-1892)

Van 1853 tot 1891 hoogleraar in de bespiegelende wijsbegeerte en letteren. De Vries legt de basis voor de Nederlandse taalwetenschap, het bestuderen van de Nederlandse taal, aan de Universiteit Leiden. Hij staat samen met L.A. te Winkel aan de wieg van het beroemde Woordenboek der Nederlandsche Taal. Naast taalkundige is De Vries ook een groot kenner van Middelnederlandse literatuur.

       

Caspar Jakob Christiaan Reuvens (1793-1835)

Reuvens is de eerste hoogleraar in de archeologie ter wereld als hij in 1818 in Leiden in deze functie wordt benoemd. Ook is hij grondlegger en eerste directeur van het Rijksmuseum van Oudheden. Reuvens richt zich als eerste niet alleen op de klassieke wereld, maar ook op het verleden van Nederland, bijvoorbeeld met opgravingen naar het Forum Hadriani bij Voorburg.

       

Pieter Johannes Veth (1814-1895)

Vanaf 1877 hoogleraar in de geschiedenis, letterkunde, oudheden, instellingen, zeden en gewoonten der volken van de Indische Archipel. Veth maakt zich sterk voor meer begrip van Nederlands-Indië in ons land en bemoeit zich flink met het debat over de te voeren politiek rondom de koloniën. Zo is bijvoorbeeld zijn recensie van Multatuli's Max Havelaar belangrijk voor de manier waarop dit boek in Nederland is ontvangen.

       

Nicolaas van Wijk (1880-1941)

Van 1913 tot 1941 de eerste Nederlandse hoogleraar in de Balto-Slavische talen. Van Wijk is een bijzonder veelzijdige taalkundige, die belangrijke studies publiceert op dit vakgebied. Naast de Slavische en Baltische talen heeft hij echter ook onderzoek op andere gebieden op zijn naam staan, bijvoorbeeld naar het Indo-Europees en de Russische Letterkunde.

       

Johan Huizinga (1872-1945)

De bekendste Nederlandse historicus van de twintigste eeuw. In 1914 wordt hij hoogleraar Algemene geschiedenis in Leiden. Huizinga is in Nederland de grondlegger van de cultuurgeschiedenis, het bestuderen van het culturele leven in vroeger tijd. Zijn bekendste werk is Herfsttij der Middeleeuwen (1919), waarin hij de laatmiddeleeuwse cultuur van de Nederlanden en Frankrijk beschrijft.

       

Pieter Nicolaas van Eyck (1887-1954)

Dichter, criticus, essayist en van 1935 tot 1954 hoogleraar Nederlandse Letterkunde. Vanaf 1912 bespreekt hij voor het tijdschrift De Beweging van de Tachtiger Albert Verwey zowel buitenlandse als Nederlandse literatuur. Van Eycks eigen poëzie kenmerkt zich door een weemoedige, soms mystieke sfeer. Zijn bekendste gedicht is De tuinman en de dood.

     

Justus Lipsius (1547-1606)

Hoogleraar Geschiedenis en Rechten van 1578 tot 1591. Leiden trekt deze humanist, filoloog en historicus aan om de juist opgerichte universiteit naam en faam te bezorgen. De veelzijdige Lipsius verwerft vooral internationaal aanzien met zijn politiek-filosofische werken, waarin hij probeert oplossingen te bieden voor de godsdienstige en politieke conflicten van zijn tijd. Op de plaats van het huidige Lipsius-gebouw had Lipsius een tuin.

                                    
 
   
vorige pagina top pagina