Universiteit Leiden
  home   contact      
 
 
 
Archief
   

Archief > Forum 6/06 > Interview

Interview

Interview met hoogleraar Marijke van der Wal
"Ik wil de taalwerkelijkheid van het verleden achterhalen."

Op vrijdag 17 november a.s. zal Marijke van der Wal, ter gelegenheid van haar benoeming tot bijzonder hoogleraar Geschiedenis van het Nederlands, haar oratie uitspreken in het Leidse Poortgebouw. Forum sprak met haar over haar plannen en ambities, maar ook over websites, egodocumenten en over de Engelsen die onze schepen enterden. "Het is mijn ambitie om deze 'brieven als buit' uit de archieven van Kew te ontsluiten."

Door Bart de Haas

   
Marijke van der Wal
(foto: Bart de Haas)

Waar begint 'de geschiedenis van het Nederlands'? En is er ook een einde?

"Mijn onderzoeksgebied bevat 'het Nederlands' van meer dan tien eeuwen terug tot en met de taal van gisteren, dus van het schaarse Oudnederlands en de Middelnederlandse dialecten tot  aan het Nederlands van de 20ste eeuw. Pas vanaf de tweede helft van de 16de eeuw kun je van 'het Nederlands' als standaardtaal gaan spreken, een standaardtaal die zich geleidelijk gedurende een proces van eeuwen heeft ontwikkeld. Wat mij intrigeert zijn taalveranderingen in de geschiedenis van het Nederlands. Om inzicht te krijgen in die taalveranderingen probeer ik de taalwerkelijkheid van het verleden te achterhalen."

Hoe doet u dit dan met alleen geschreven bronnen?

"De taal van het verleden vind ik juist zo interessant, omdat deze vrijwel uitsluitend op papier is overgeleverd. Je moet dus moeite doen om de taalwerkelijkheid te achterhalen: niet alles wat gesproken wordt, komt ook op papier terecht en er is een groot verschil tussen de geschreven en de gesproken taal. De grootte van dit verschil wordt vooral bepaald door het genre. Zo heb je veel formele en literaire teksten, maar deze wijken sterk af van wat de spreektaal waarschijnlijk geweest moet zijn. In mijn huidige onderzoek richt ik me dan ook vooral op een ander type teksten, egodocumenten zoals brieven en dagboeken. Informele brieven en dagboeken liggen namelijk veel dichter bij de spreektaal."

En hoe zit het met de schrijvers? Was het niet zo dat in het verleden alleen de meer geleerde mensen konden schrijven? Krijg je dan niet een ander soort spreektaal?

"Als onderzoeker doe je er inderdaad goed aan om egodocumenten van verschillende soorten schrijvers met elkaar te vergelijken. Ook hun achtergrond is daarbij van belang. Met andere woorden: hoeveel opleiding hadden de schrijvers genoten en wat leerden zij op scholen of als autodidacten? Zo waren er grammatica's, waaruit men opstak dat de ene variant afkeurenswaardig en de andere wel acceptabel was. Deze normering was belangrijk voor taalgebruikers die de standaardtaal goed wilden hanteren. Daarmee heeft dergelijke grammaticale regelgeving invloed gehad op het geschreven Nederlands."

Zijn er nog meer van dergelijke invloeden geweest?

"De grammatici waren zeker niet de enigen die gericht waren op de vorming van een uniforme taal en het afwijzen van de varianten. Denk bijvoorbeeld ook aan de drukkers: drukkers hebben de vroegste werkjes met spellingsregels geschreven. Zij hadden belang bij een zekere uniformiteit en bij een supraregionale taal in de werken die zij uitgaven. Hun profijt was dat ze zo een groot publiek konden bereiken en dus meer konden verdienen. Overigens zal er pas in de 19e eeuw meer eenheid in de spelling komen, met de staatsspelling van Siegenbeek."

Is de geschiedenis van het Nederlands vergelijkbaar met die van andere talen?

"Jazeker. Er zijn deels identieke, deels uiteenlopende ontwikkelingen in de geschiedenis van de verschillende Germaanse talen. Ook in de ontwikkeling tot standaardtaal, zie je in andere Europese landen interessante parallellen. Ik beperk mij in mijn onderzoek dus ook niet tot het Nederlands. Sterker nog, ik werk actief samen met collega's van andere Europese talen. Zo delen we onze visies met elkaar. Dit doen we elk vanuit ons eigen vakgebied en dat blijkt buitengewoon vruchtbaar te werken."

Heeft u meer plannen om met andere collega's samen te werken, ook in het onderwijs?

"Uiteraard werk ik binnen de opleiding Nederlands met mijn naaste collega's samen. In prima samenwerking heb ik altijd mijn eigen stempel op colleges kunnen zetten, zowel voor de interne taalgeschiedenis als voor de externe taalgeschiedenis. Verder heb ik nieuwe onderdelen ontwikkeld voor het bachelorprogramma, maar ook voor de researchmaster. In de researchmaster heb ik de module Advanced Historical Linguistics opgezet en daarvoor samenwerking gezocht met collega's van Duits en Vergelijkende Indo-Europese Taalwetenschap. Zelf geef ik binnen die module college over historische syntaxis, waarbij veranderingen in verschillende talen aan bod komen, maar waarbij ik natuurlijk graag inzoom op de geschiedenis van het Nederlands."

En interdisciplinair?

"Interdisciplinair zoek ik eveneens de samenwerking op. Dat heb ik in het verleden heel intensief gedaan binnen het programma 'Nederlandse cultuur in Europese context', met onderzoekers vanuit zeer verschillende disciplines (historici, boekwetenschappers, kunsthistorici, letterkundigen, theologen, filosofen). Uit dat programma zijn een paar prachtige standaardwerken rond de ijkpunten 1650, 1800, 1900, 1950 voortgekomen. Voor mijn huidige onderzoek en onderzoeksplannen voorzie ik intensieve samenwerking met historici en met mijn anglistische collega Ingrid Tieken en haar Vici-groep. Daarnaast neem ik met mijn onderzoek internationaal deel aan een actief netwerk van historisch taalkundigen (van vooral andere talen dan het Nederlands), een stimulerend netwerk met regelmatig conferenties en andere uitwisselingsvormen."

Heeft u nu als hoogleraar nog een bepaalde grote ambitie of een mooi plan?

"Verschillende zelfs, maar ik wil hier de 'brieven als buit' noemen. Voor ons zicht op de taalgeschiedenis zijn egodocumenten belangrijk, we hadden het er net al even over. Het spijtige  alleen is dat je ze, net als andere documenten, vooral vindt bij de hogere sociale lagen en weinig bij de midden- en de lagere klasse. In de National Archives van Kew (UK) liggen echter zeer veel Nederlandstalige brieven, geschreven door mensen uit allerlei maatschappelijke klassen. Het is mijn ambitie om deze veelbelovende collectie te ontsluiten en te laten digitaliseren."

Als u zegt dat het veel brieven zijn, hoeveel zijn dat er dan? En zijn ze niet naar Nederland te halen?

"De historicus Roelof van Gelder heeft voor de KB deze brieven geïnventariseerd en is op  38.000 brieven uitgekomen! Nu publiceert hij er elke maand eentje in M, het magazine van het NRC-Handelsblad, als een soort smaakmaker, zou je kunnen zeggen. Die enorme collectie brieven is voor taalkundigen (en voor andere disciplines) zo bijzonder. Daar valt zoveel mee te doen. Helaas schijnen de Engelsen niet bereid om die collectie aan Nederland af te staan, al doen ze er zelf niets mee."

Hoe zijn zij dan eigenlijk aan die brieven gekomen?

"Dit heeft met het verschijnsel kaapvaart te maken. In oorlogstijd mochten schepen met een kapersbrief vijandelijke schepen enteren. Dat deden de Engelsen met Hollandse schepen. Zij namen dan het schip met alles wat ook maar enigszins van waarde kon zijn mee, van kostbare handel tot en met eenvoudige brieven. Alle papieren kwamen uiteindelijk in archieven terecht,  waar ze bewaard bleven. Voor het grote onderzoeksproject Smart Mix had ik een voorstel met betrekking tot deze zogenaamde sailing letters, met als titel 'Brieven als buit'. Die brieven moeten allereerst digitaal gefotografeerd en vervolgens getranscribeerd worden, dat is het voortraject, om ze zo geschikt te maken voor onderzoek."

Maar hoe wilt u dit doen als het duizenden brieven zijn?

"Uiteraard kan ik dit niet alleen gaan doen. Voor dit project is een grootschalige aanpak nodig, allereerst voor dat voortraject, maar ook daarna voor het verdere onderzoek.  Als het materiaal beschikbaar is, zijn er voor historici en taalkundigen schitterende onderzoeksmogelijkheden. Trouwens ook in het onderwijs kunnen de sailing letters prima een rol spelen, bijvoorbeeld voor scripties en onderzoeksopdrachten binnen werkgroepen."

Wilt u de brieven alleen ontsluiten voor onderzoekers of ook voor het 'gewone' publiek?

"Het liefst zou ik deze brieven, maar eigenlijk heel veel over de geschiedenis van het Nederlands, op een voor velen aansprekende wijze voor het voetlicht brengen. De beste manier daarvoor is een website. Zo heb ik momenteel een eigen website waarop ik de brieven van een zekere Cecilia te Water uit de 16de eeuw presenteer. Hier heb ik intussen wel meer dan 5000 bezoekers gekregen, aardig wat meer dan er lezers van een boekje met die brieven zouden zijn geweest. Een website specifiek gericht op het 'leren' van, populair gezegd, de taal van de Middeleeuwen en die van de Gouden Eeuw is ook nog een grote wens van mij."

Is hier, denkt u, belangstelling voor onder een breed publiek?

"Dat denk ik wel ja, al is het maar omdat er zo veel mensen historische belangstelling hebben. Soms ligt die belangstelling dicht bij huis zoals bij genealogisch onderzoek. Zonder kennis van het Nederlands van vroeger is het praktisch onmogelijk om uit de teksten van documenten  te komen. Ook is er zeker interesse vanuit de kunsthistorische invalshoek: ik krijg regelmatig vragen uit binnen- en buitenland over teksten op etsen of schilderijen en over brieven of andere documenten rond 17de-eeuwse schilders. Er zijn alleen fondsen nodig om zo'n website echt goed te kunnen opzetten, zo goed dat alles technisch prima werkt en met mooie lay-out. Maar als dat financieel ooit mogelijk is, dan weet ik zeker dat ik iets van de taalwerkelijkheid uit het verleden online kan doen herleven."

Oratie mw. prof.dr. M.J. van der Wal
Vakgebied: Geschiedenis van het Nederlands
Titel: "Onvoltooid verleden tijd. Witte vlekken in de taalgeschiedenis"
Vrijdag 17 november 2006, 16.15 uur (Congreszaal Poortgebouw)

 Website Leidse wetenschappers: Marijke van der Wal

                                    
 
   
vorige pagina top pagina