Universiteit Leiden
  home   contact      
 
 
 
Archief
   

Archief > Forum 5/06 > Interview

Interview

Nieuwe hoogleraar Geschiedenis en Theorie van de Bouwkunst Caroline van Eck: "Mensen kusten schilderijen, en gaven gebouwen te eten."

Levensechte beelden en schilderijen roepen opvallende reacties op. Caroline van Eck start met een Vici-project in Leiden waarin ze deze reacties interdisciplinair onderzoekt. "'Living presence response' blijkt van alle tijden te zijn. Levensechtheid was vaak een belangrijk overtuigingsmiddel voor opdrachtgever en kunstenaar, en het gaat veel verder: schilderijen worden vaak zo levensecht gevonden dat de beschouwer denkt naar de afgebeelde persoon te kijken, niet naar een afbeelding."

door Aniek Smit

   
Caroline van Eck

Prof.dr. Caroline van Eck is september dit jaar in Leiden gestart met het Vici-onderzoeksproject 'Art, Agency and Living Presence in Early Modern Italy' ('Kunst, werking en levende aanwezigheid in vroegmodern Italië').  Zij verwondert zich erover dat er nog zo weinig onderzoek is gedaan naar de reacties op kunstwerken en gebouwen waarbij ze worden behandeld als levende wezens. "Het spreken tot schilderijen of het omhelzen van een standbeeld wordt vaak afgedaan als verwarring. Toch is het een veelvoorkomende respons." In een onderzoek vanuit de kunstgeschiedenis, retorica, psychologie en de antropologie wordt er gezocht naar de achterliggende redenen voor dit gedrag.

Een standbeeld omhelzen of een schilderij van de Madonna voor echt aanzien, dat is toch ook wel vreemd?

"Uit bronnen van het vroegmoderne Italië blijkt het een alledaags verschijnsel. Wij kijken tegenwoordig in het Westen heel museaal tegen kunst aan. Je bekijkt het in een galerie en eventueel kun je het kopen. Onlangs bespoot een man in het Rijksmuseum het schilderij 'De Schuttersmaaltijd' van Van der Helst met een chemische vloeistof. Zo iemand is meestal in de war en wordt teruggestuurd naar zijn psychiatrische inrichting. Systematisch onderzoek naar de motieven voor dit gedrag is echter zelden gedaan. In vroegmodern Italië vinden we echter vaak deze reactie op kunst als een levend wezen dat je kunt aanvallen, omhelzen of mee spreken. Deze reacties zijn in bijvoorbeeld humanistische teksten en pelgrimsverslagen uitvoerig beschreven, wij willen ze daarom juist heel serieus nemen. Het is niet zomaar een primitieve reactie. Zelf ervaren we vensters ook als de ogen van een gebouw, en we kennen allen de ervaring dat een portret ons met de ogen lijkt te volgen. Uit psychologisch onderzoek is gebleken dat mensen geprimed zijn om te reageren op waarnemingen van levende wezens of wat daarop lijkt. Door de verticalen kun je een zuil in het donker al gauw voor een menselijke gestalte houden en dan ook op die levendigheid reageren."

Dit Vici-onderzoek valt onder de Geschiedenis en Theorie van de Bouwkunst, toch wordt er ook samengewerkt met andere studies als de psychologie?

"Het onderzoek is zeer interdisciplinair. We hebben een leuke club bij elkaar gebracht van drie postdocs en twee aio's uit de kunstgeschiedenis, psychologie, theaterwetenschappen en oude geschiedenis. We werken bovendien aan de hand van de theorie van de antropoloog Alfred Gell. Hij kijkt in zijn studie Art and Agency niet naar meer traditionele kunsthistorische aandachtspunten zoals schoonheid of stijl. Hij ziet kunst als werking. Je moet je afvragen wat het kunstwerk wil dat de beschouwer doet, en wat wil de kunstenaar? Om die wisselwerking te bestuderen gebruiken wij de theorie van Gell als analyse-instrument. Antropologisch onderzoek heeft bijvoorbeeld het gedrag van de Batammaliba in Benin in beeld gebracht. Deze stam beschouwt zijn zelfgebouwde huizen als levende wezens: alle onderdelen hebben namen ontleend aan het menselijk lichaam. Naast het raam zit een geul om het dagelijkse biertje in te gieten. Zo kan ook de mondiale praktijk illustraties bieden voor het onderzoek dat wij aan de hand van Italiaanse vroegmoderne bronnen doen."

Uw Vici-onderzoek begon aanvankelijk aan de Universiteit van Groningen. Waarom wordt het onderzoek nu in Leiden voortgezet?

"De thematiek van dit onderzoek hangt al een tijdje in de lucht en er was interesse voor vanuit verschillende universiteiten. Omdat Groningen zich in toenemende mate met de moderniteit bezighoudt, past dit onderzoek toch beter in Leiden. Hier heerst een zeer internationaal klimaat, er wordt veel kennis uitgewisseld. Bovendien is er een hoog ambitieniveau. Dat is erg belangrijk voor een Vici-onderzoek want het moet vernieuwend zijn. Zelf studeerde ik in Leiden Wijsbegeerte en Klassieke Talen. Er zijn hier veel mogelijkheden door de grote kennis van de klassieke talen en de culturele antropologie. Daarnaast hebben we raakvlakken met de literatuurwetenschap voor de studie van teksten. De antropologie gebruiken we voor de theorievorming. Vanuit de wijsbegeerte bekijken we de meer conceptuele aspecten van living presence response: hoe kun je de 'verwarring' van beeld en afgebeelde begrijpen? De artistieke kant bekijkt puur hoe je iets afgebeeld krijgt, hoe kan kunst levensecht lijken? Vanuit de waarnemings- en theoretische psychologie vragen we ons af wat er in het brein gebeurt bij zulke reacties."

In de probleemstelling van het onderzoek lezen we het prachtige voorbeeld van de humanist Ambrogio Leone da Nola die na de dood van zijn geliefde een buste laat maken. Zijn vrienden vraagt hij een gedicht over het kunstwerk te schrijven. Een van hen schrijft: 'Wat vermag kunst niet te doen? Ik weet dat je van steen bent, maar toch, zodra ik je gelaatstrekken duidelijk heb onderscheiden bedrieg ik mijzelf en haast ik me om je te omhelzen, en verbleek dan van schaamte.'[1] Die levendigheid was dus een serieuze zaak in Renaissance Italië?

"Mensen lieten zelfs een horoscoop trekken voor 'de geboorte' van hun nieuwe huis. Behalve het kunstwerk zelf is de reactie van de beschouwer een grote bron voor ons onderzoek Zo leidde de herontdekking van de Laocoön beeldengroep (zie afbeelding) tot een reeks van gedichten, waarin sterk opvalt hoezeer niet het beeld wordt aangesproken, maar de figuur van Laocoön. Sterker nog, toeschouwers waren zo gegrepen door de levensechtheid van het beeld dat ze zelf de houding van Laocoön aannamen en dachten zijn pijn te voelen, of schreven dat de aanblik van het dode marmer hen pas tot echte mensen maakte, in staat tot empathie en medelijden."

    
Laocoön
Foto: Kunsthistorisch Instituut te Leiden

In het onderzoeksvoorstel staat de bijna poëtische regel 'when art reaches its highest quality and is most persuasive, it ceases to look like art' te lezen. Wat wordt hiermee bedoeld?

"In de Renaissance kunst werd een ideaal van levensechtheid nagestreefd. Als dat in de beleving van de beschouwer werd bereikt, verdween het kunstaspect. Men zag niet meer een beeld, maar de echte Madonna. Over standbeelden van Bernini werd vaak verslag gedaan van de ervaring van levende aanwezigheid. En dat terwijl de beelden kleurloze ogen hebben, zonder pupil. Dat verband tussen levensecht lijken en als levend ervaren worden is dus niet vanzelfsprekend. In de gedachtevorming over hoe zulke effecten konden worden bereikt, en de reacties van het publiek, speelde de klassieke retorica een belangrijke rol. Enerzijds omdat retorica een centraal onderdeel was van het onderwijs en daardoor sterk bepaalde hoe mensen niet alleen spraken in het openbaar, maar ook lazen en keken. Anderzijds omdat opmerkelijk genoeg juist binnen de retorica, die als doel heeft overtuigende welsprekendheid, het visuele vaak een belangrijke rol speelde als overtuigingsmiddel. Mensen geloven eerder wat ze zien dan wat ze horen, dus de redenaar diende niet alleen met argumenten, maar ook met levensechte beschrijvingen en gebaren te overtuigen. Kunstenaars en theoretici in de Renaissance zoals Alberti, Leonardo of Titiaan maakten van deze retorische kennis dankbaar gebruik.

Naast uw Vici-project bent u in januari ook benoemd als hoogleraar aan de Universiteit van Leiden. Hoe bevalt dat?

"Heel goed. Op het ogenblik is de verbetering van het onderwijsprogramma in de architectuurgeschiedenis een belangrijk punt van aandacht. Samen met de andere docenten architectuurgeschiedenis proberen we een breed programma aan te bieden, waarin zowel Nederlandse architectuur als die van Italië aan bod komt, Middeleeuwen, Modernisme en global architecture, bouwhistorie en architectuurtheorie. In mijn eigen onderwijs staat het Vici-onderzoek niet centraal, maar er zijn wel raakvlakken, zoals de aandacht voor de impact van gebouwen op de beschouwer. Architectuur is een publieke kunst, en naast het ontwerp of de constructie zijn ook het gebruik, de perceptie en de meer ideële rol van architectuur belangrijke thema's - net zoals de beschouwer bijvoorbeeld ook een belangrijk thema is voor mijn collega's Falkenburg, Zijlmans en Zwijnenberg."

Is met dit Vici-project een grote wens vervuld?

"Zeker. Al in mijn proefschrift Organicism in 19th-Century Architecture: An Inquiry into its Theoretical and Philosophical Roots (1994) viel me op hoe wijdverbreid het toch wat merkwaardige idee is dat een gebouw eruit moet zien als een levend wezen, maar het is echt een constante, wereldwijd, in het denken over architectuur. Daar kwam ik ook in aanraking met de rol van de retorica in de kunst. We hopen over 2.5 jaar de eerste resultaten van het Vici-onderzoek te presenteren. Dan zal er met onderzoekers uit alle deelgebieden de balans worden opgemaakt. Wie weet slaan we nog andere paden in of wordt de theorie van Gell bijgesteld of zelfs verworpen. In 2010 moeten we klaar zijn, het begint al wat nader te komen, het begint al wat levensechter te worden.

 Meer informatie:

De Vici-onderzoeksgroep bestaat naast Prof.dr. Caroline van Eck uit: Joris van Gastel (aio), Elsje van Kessel (aio), Stijn Bussels (postdoc), Lex Hermans (postdoc) en Minou Schraven (postdoc).

Volgend jaar verschijnt het nieuwste boek van Caroline van Eck; 'Eloquence stronger than words: rethorica and the arts in early modern Europe' bij Cambridge University Press over architectuur en retorica in Engeland, Italië en Frankrijk in de periode 1450-1750.


[1] R.Shepherd and R. Maniura (eds.), Depicted Bodies -- Present Souls (Aldershot 2004) Introduction, p. 3. Tebaldeo's poems are reprinted in A. Tebaldeo, Rime. A cura di T. Basili and J.J. Marchand (Modena 1989-92), vol. II.i, nos 223-9

                                    
 
   
vorige pagina top pagina