Universiteit Leiden
  home   contact      
 
 
 
Archief
   

Archief > Forum 5/06

Onderzoek

Het onderzoek van ...

In de faculteit wordt veel onderzoek verricht. In de rubriek Het onderzoek van. vertelt telkens een promovendus of andere researcher over de grandeur en misère van het onderzoek doen. Deze maand vertelt Elena Tribushinina over haar promotieonderzoek naar cognitieve referentiepunten.

      
Elena Tribushinina

Vertel iets over uzelf, hoe bent u tot dit onderzoekproject gekomen?

Ik ben geboren in Kemerovo, een stad midden in Siberië die bekend is om zijn steenkool. Kemerovo was oorspronkelijk een internationale kolonie die ontstaan is uit de gedachte van Lenin om de rijke natuurlijke hulpbronnen van Siberië met modern westers management te ontginnen. De kolonie werd geleid door Nederlandse en Amerikaanse ingenieurs. Zo zijn in de jaren twintig van de vorige eeuw de allereerste wijkjes van mijn geboortestad ontworpen door de Nederlandse architect Han van Loghem. Enkele gebouwen van hem zijn nog steeds in Kemerovo te zien, bijvoorbeeld typisch Nederlandse rijtjeshuizen, die de Russen kolbasa's 'worsten' noemen.

 
Rijtjeshuizen van Han van Loghem in Kemerovo ("worsten").

Tijdens mijn studie en daarna het docentenschap aan de Faculteit Romaanse en Germaanse Taalkunde van de Universiteit van Kemerovo had ik veel contact met het museum Krasnaja gorka in de oorspronkelijke "Hollandse buurt". Ik heb o.a. als tolk meegedaan aan de Nederlands-Russische workshops die regelmatig plaatsvonden, zowel in Kemerovo als in Nederland. Zo groeide mijn interesse voor Nederland, de Nederlandse taal en cultuur. Die belangstelling is voor mij de aanleiding geweest om de Afdeling Nederlandse Taalkunde op te richten aan de Universiteit van Kemerovo. Dit initiatief is uitgegroeid tot een bloeiende afdeling met veel studenten. Daarnaast was ik bezig met het onderzoek naar de semantiek van Engelse, Nederlandse en Russische perceptieadjectieven. In 2004 ben naar Nederland gekomen om mijn onderzoek hier door te zetten. Na het afstuderen in het MPhil Linguistics aan de Vrije Universiteit Amsterdam ben ik op 1 september 2006 aan het LUCL als aio begonnen, met Arie Verhagen en Theo Janssen als promotoren.

Kunt u vertellen waar het onderzoeksplan over gaat? Welke vraag staat centraal?

Ik doe onderzoek naar de zogenaamde cognitieve referentiepunten die men gebruikt om verbale informatie te verwerken en te interpreteren. Om redenen van haalbaarheid beperk ik me tot de adjectivale semantiek. Ik probeer verschillende typen cognitieve referentiepunten te bestuderen en te omschrijven aan de hand van de Russische en Engelse perceptieadjectieven die eigenschappen als kleur (b.v. red), vorm (b.v. round) en maat (b.v. tall) betekenen.

De notie cognitief referentiepunt is geïntroduceerd door Eleanor Rosch met betrekking tot asymmetrische vergelijkingen waarbij het prototype als een soort anker fungeert voor minder prototypische categorieleden. Zo stelt Rosch dat verschillende kleurvarianten worden geïnterpreteerd tegenover de prototypische, zuivere kleuren. Dof-rood wordt bijvoorbeeld beoordeeld in relatie tot stralend rood. Het beste voorbeeld van rood, het prototype, dient dus als een cognitief referentiepunt voor beoordelingen en uitspraken over minder prototypische categorieleden, zoals dof-rood.

Hoewel prototypen centraal staan in het onderzoek van Rosch, merkt zij op dat deze slechts een voorbeeld zijn van de algemene cognitieve strategie om de referentiepunten te gebruiken. Voor heel veel bijvoeglijke naamwoorden is het niet eens mogelijk een prototype te vinden. Hierbij valt te denken aan woorden als hoog, bot en luid. Ik probeer dus aan te tonen dat hoe belangrijk en veelomvattend de prototypen ook zijn, zij niet alles kunnen verklaren. Prototypen fungeren naast een aantal andere typen cognitieve referentiepunten, zoals een gemiddelde waarde op een graduele schaal (een gebouw dat tall genoemd wordt is groter dan het gemiddelde), polaire ankers (minimum en maximum van een eigenschap) en expliciete referentiepunten (A is groter dan B, wanneer B een referentiepunt is).

Bij het interpreteren van red ball denken de taalgebruikers vooral aan de prototypische rode kleur.

Wat zijn de boeiendste kanten van het project?

Wat ik vooral boeiend vind is het feit dat een aantal referentiepunten die te voorschijn komen uit de semantische analyses terug te vinden zijn in andere facetten van menselijke cognitie. Een graduele schaal met maximum, medium en minimum als prominente zones schijnt bijvoorbeeld een grote rol te spelen bij het tellen en in onderhandelingen. De cognitieve referentiepunten zijn ook van belang in de ruimtelijke cognitie, bij het waarnemen van muziek, in het behandelen van psychische stoornissen en zelfs bij de inburgering van nieuwkomers. Kortom, dit onderzoek laat zien dat het menselijke taalvermogen niet immanent is: er zijn algemene cognitieve principes die ten grondslag liggen van zowel de taal als van andere aspecten van de menselijke cognitie. Een van die algemene cognitieve eigenschappen is het gebruik van verschillende soorten referentiepunten.

Wat mij ook heel interessant lijkt is de contrastieve analyse van de Russische en Engelse perceptieadjectieven. Zo'n analyse kan aantonen of cognitieve referentiepunten universeel of taal- en cultuurspecifiek zijn. Ik verwacht dat de inventaris van referentiepunten voor een groot deel algemeen is voor de twee talen waarbij ik dat wil vergelijken. Verschillen zijn echter mogelijk op het niveau van concrete referentiepunten en hun feitelijke inhoud. Een klein voorbeeld: Ik veronderstel dat zowel in het Russisch als in het Engels de interpretatie van de vormadjectieven vooral op prototypen berust (b.v. bol, cirkel of cilinder voor ROND). Maar de objecten die als voorbeelden van de perfect ronde vorm gebruikt worden, zijn vaak taalspecifiek. Zowel het Nederlands als het Engels kent knikkers als etalons van ROND (Cf: zo rond als een knikker / as round as marbles). Knikkers zijn als voorwerpen van kinderspel in Rusland onbekend. Het Russisch heeft er dan ook geen speciaal woord voor. Daarom bestaat een knikker ook niet als een referentiepunt voor kruglyj 'rond'.

Welk resultaat hoopt u te behalen?

In tegenstelling tot de cognitieve psychologie waar de belangstelling voor referentiepunten toeneemt, heeft deze theorie in de taalwetenschap geen grote aandacht gekregen. Een gunstige uitzondering zijn de reference-point constructions van Ronald Langacker. Gemeenschappelijk hebben al deze constructies dat één entiteit als cognitief referentiepunt dient om contact te leggen met andere, minder prominente entiteiten. Het is mijn ambitie om de cognitieve referentiepunten in de lexicale semantiek te introduceren. Ik ben ervan overtuigd dat het buitengewoon nuttige onderzoeksinstrumenten kunnen zijn, gebaseerd op de algemene menselijke vaardigheid om cognitief saillante entiteiten te gebruiken wanneer men mentale toegang wil krijgen tot minder prominente elementen.

Hoe bevalt het aio-bestaan op deze faculteit?

Mijn promotieproject aan de Universiteit Leiden is net begonnen. Voor mij is alles dan ook nieuw. Ik ben heel blij dat ik aan mijn proefschrift kan werken aan het LUCL, in een onderzoeksomgeving met een sterke traditie in de taalwetenschap. De plezierige samenwerking met Arie Verhagen tijdens de voorbereiding van mijn aio-aanvraag belooft veel goeds voor de toekomst: boeiend onderzoek, inspirerende discussies, nieuwe mensen en inzichten.

 Homepage Elena Tribushinina: www.lucl.leidenuniv.nl/index.php3?m=2&c=406

Ook in Forum, rubriek Het onderzoek van...?
Stuur een e-mail naar o.v.v. naam, onderzoeksproject en Onderzoeksinstituut.

                                    
 
   
vorige pagina top pagina