Universiteit Leiden
  home   contact      
 
 
 
Archief
   

Archief > Forum 3/05 > Reportages

"Wetenschapsfilosofie, best belangrijk"

Op vrijdag 13 mei vond in zaal 011 van het Lipsiusgebouw de Leidse onderwijsmiddag plaats over wetenschapsfilosofie. Een middag vol debat en verhitte discussies over vragen en kuikens. "Je kunt mensen geen antwoorden aanpraten op een vraag die ze zichzelf niet stellen." Gaat Leiden Amsterdam achterna met tien ects wetenschapsfilosofie?

Door Bart de Haas

     

De middag had als ondertitel 'discussie over nut en noodzaak voor letterenstudenten' meegekregen. In de praktijk waren er, op enkele geïnteresseerde studenten en een kleine afvaardiging van de CSL (de Christelijke Studentenfractie Leiden) na, echter vooral docenten en medewerkers op afgekomen. In zijn introductie verwelkomde Jef Jacobs, directeur onderwijs, het publiek dat "in, ja, toch grote getale" was gekomen. Vervolgens bracht hij enkele oude beleidsnotities als Wegen naar gehalte aan. Toen al vond men het "niet onverstandig" om wetenschapsfilosofie te gaan doceren.

Volgens Jacobs moest er een onderscheid worden gemaakt tussen methodologie, het vak M&T, Methoden en Technieken, dat al op diverse letterenopleidingen gegeven wordt, en wetenschapsfilosofie. Dat laatste was veel breder en slechts het geven van beide vakken zou volgens hem academisch zijn. Deze middag zouden er antwoorden moeten komen op vragen, zoals wat we onder wetenschapsfilosofie verstaan, wat het nut ervan is en in welke vorm we het vak het beste zouden kunnen (of zelfs moeten) invoeren.

10 ects!

Als eerste spreker was professor Gerard de Vries uitgenodigd, een ervaringsdeskundige van de Universiteit van Amsterdam. Daar geeft hij al enkele jaren de verplichte module Wetenschapsfilosofie voor de geesteswetenschappen. Zijn betoog sloot goed aan op de introductie van Jacobs. Volgens De Vries was juist het vragen blijven stellen het karakter van de wetenschapsfilosofie. Of met de woorden van Socrates: een leven waar niet over is nagedacht, is het leven niet waard.

In het kort schetste hij eerst de geschiedenis van de wetenschapsfilosofie. Vanuit de naïeve veronderstelling dat het beeld van de natuurwetenschappen adequaat was, ontwikkelde het vak zich nu naar een meer empirisch beeld. "Gij zult niet doden blijft een goede stelregel, ook als niemand zich eraan houdt, maar de wetenschapsfilosofie moet terug te vinden zijn in de activiteiten van het wetenschappelijk bedrijf, anders slaat het nergens op. We moeten nu vragen naar hoe wetenschappers experimenteren en hierover rapporteren, maar ook naar wat hierbij hun overwegingen zijn. Het moet veel dichter bij de praktijk liggen."

Vervolgens schetste hij de ontwikkelingen van het vak in Amsterdam, zoals hij dat nu aan alle tweedejaarsstudenten Letteren geeft. "We leven in een tijd met een verouderd beeld, ik wil hen laten zien dat dat beeld niet meer klopt." Dit wil hij doen aan de hand van vijf stijlen van wetenschappelijk debat, waaronder stijlen als de hermeneutiek en het structuralisme. De andere helft van het vak is disciplinespecifiek en gericht op het vakgebied van de verschillende studenten zelf. In totaal wordt het zo een vak dat 10 ECTS [studiepunten] waard is. Tien? Het golfde door de zaal en een man op de achterste rij riep zelfs net iets te hard: "Jezus Christus!"

Kuikens

"Wetenschapsfilosofie," zo betoogde De Vries, "is geen wetenschapspolitie, het is een plek om te discussiëren. Het is geen wet, geen serie regeltjes, maar reflectie. Als je als student de universiteit verlaat, wil je immers geen kuiken zijn." Zijn manier was duidelijk, maar het kon volgens hem ook anders en hij was daarom ook zeer benieuwd naar "hoe ze dat in Leiden gaan aanpakken."

De volgende spreker, Peer Vries, herinnerde het publiek eraan dat lang niet alle studenten ook kippen wilden worden. Vijf of hooguit tien procent van de studenten komt immers maar in de wetenschap terecht. "Het opleiden voor de wetenschap vind ik dan ook een slechte reden, maar wat de studenten wel moeten weten is wat wetenschap eigenlijk is. Een goede reden om wetenschapsfilosofie te geven is dan ook dat we hen willen opleiden tot intellectuelen." In het vak dat hij bij Geschiedenis geeft, noemt hij dan ook een 'cursus zelfverdediging voor historici'.

Vries meende dat het belangrijk is dat studenten inzien dat Popper een probleem heeft. Pas dan raken ze geïnteresseerd. "Het heeft alleen nut als je laat zien dat het nut heeft. Je kunt mensen immers geen antwoorden aanpraten op een vraag die ze zichzelf niet stellen." Tot slot moest de zaal hierbij niet uit het oog verliezen dat je behoorlijk wat personen nodig hebt voor de lessen. Er zijn immers niet heel veel raakvlakken tussen bijvoorbeeld Italiaans en Geschiedenis.

Iets dergelijks kwam ook naar voren in de bijdrage van Johan Rooryck. "Binnen de taalkunde zijn termen als onderwerp en lijdend voorwerp al problematisch." Wetenschap had volgens hem bovendien geen enkel praktisch nut, behalve dan het bevredigen van onze eigen nieuwsgierigheid. Toch wilde hij wel eens peilen hoe de zaal over de stellingen [door de organisatie waren er vooraf 6 stellingen geformuleerd] dacht, maar er werd besloten om deze poll uit te stellen tot de discussie, na de lezingen.

Praktijk

Marlein van Raalte vertelde hierna aan de hand van een hand-out hoe men het bij GLTC had aangepakt. Van een vak dat te veel geënt was op de bètawetenschappen en dat zelfs door classici nog als "buitengewoon lastig" werd bevonden, werd het langzamerhand uitgebreid met meer normatieve en ethische elementen, o.a. doordat er een theoloog en docenten van diverse andere disciplines bij kwamen. Onder meer doordat docenten steeds minder tijd hiervoor vrij konden maken, is het vak in de nieuwste vorm, inclusief een forum aan het eind, nooit doorgegaan.

Ter discussie gaf Van Raalte de zaal nog enkele punten mee, over de verplichtheid, de basis en de breedte van het vak. "Bij Letteren zijn er veel kleine opleidingen en doordat er te weinig raakvlakken zijn met andere opleidingen, zou je op z'n minst eigenlijk één docent wetenschapsfilosofie per opleiding moeten hebben." Maar ondanks dat vond ze - en met haar meer mensen in de zaal - dat het veel beter zou zijn om nu alvast een proefvak in te voeren. "Trial and error is beter dan afwachten, want van uitstel komt afstel."

Als laatste twee sprekers voltooiden Jacques Bos en Nico Laan, eveneens van de UVA, het verhaal van Gerard de Vries met talloze voorbeelden uit de praktijk. Ondanks een onleesbare sheet liet eerst Bos zien hoe je het vak op allerlei wijzen kon benaderen. In Amsterdam gebeurt dit door de studenten verschillende stijlen van wetenschappelijke benadering te behandelen. In tegenstelling tot wat Peer Vries beweerde, is het aan de UVA niet de bedoeling om hen directe antwoorden te geven. "Wij geven de studenten eerst een instrumentarium, de antwoorden volgen wel bij de specialisatie binnen het eigen vakgebied."

Verplicht nummertje

Nico Laan bracht alvast enkele ideeën naar voren over hoe dit vak te organiseren is, o.a. via bruikbare artikelen voor in de readers en door in het kort de college-inhoud te schetsen en enkele tentamenvragen als voorbeeld te geven. Al met al genoeg stof voor een verhitte discussie en het kon dan ook niet anders of die zou, direct na de lezingen, onder leiding van Peer Vries in alle hevigheid uitbarsten.

Hoewel de stellingen van die middag in principe vooral draaiden om 'nut en noodzaak van de wetenschapsfilosofie', bleek de zaal het hier al snel redelijk over eens te zijn. Belangrijker dan de vraag of je zonder niet verder zou komen dan een kuiken (Van Heuven: "Wat is er mis met kuikens?"), was de vraag wat er binnen de verschillende opleidingen eigenlijk al gedaan werd en of een apart nieuw vak eigenlijk wel nodig was. "Je bent als opleiding óf afhankelijk van de aanwezigheid van een docent die het toevallig tot z'n hobby heeft gemaakt, óf het wordt al gauw een verplicht nummertje." (Van Santen).

Bestuur aan zet

In de discussie stapelden de dilemma's zich vervolgens razendsnel op. Wel of niet? Filosofie of ethiek? Verbreding of verdieping? Verplicht of vrije keuze? In de hoofd- of de bijvakruimte? Hoor- of werkcollege? In de bachelor- of in de masterfase? Zo snel mogelijk door middel van 'geleide democratie' faculteitsbreed invoeren of dit opleidingsspecifiek laten gebeuren? Per discipline of vakgroepoverschrijdend? Of een deel algemeen en een deel vakgroepspecifiek? "Vele wegen leiden naar Rome, maar we moeten wel weten wat Rome is!" (Jacobs).

Bovendien verschilt het ook nog eens per opleiding. Wat voor de ene opleiding een grote sprong voorwaarts kan zijn, is voor de andere soms een enorme achteruitgang. En is het niet verstandiger om het eerst aan de docenten aan te bieden? Concrete oplossingen kwamen niet, ideeën daarentegen waren er genoeg. Het faculteitsbestuur heeft kortom nog heel wat om over na te denken. Met De Vries ben ik dan ook erg benieuwd hoe Leiden dit gaat aanpakken.

                                    
 
   
vorige pagina top pagina