Universiteit Leiden
  home   contact      
 
 
 
Archief
   

Archief > Forum 3/05 > Onderzoek

Veni-subsidie voor het onderzoeksproject 'Manuscripten, missionarissen en het Min'

Elf jonge, pas gepromoveerde Leidse wetenschappers krijgen van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) een zogenoemde Veni-subsidie van maximaal 200.000 euro, waarmee ze drie jaar lang onderzoek kunnen doen. Ze zijn door NWO geselecteerd omdat ze blijk hebben gegeven van een opvallend en origineel talent voor het doen van vernieuwend wetenschappelijk onderzoek.
Dr. Henning Klöter vertelt hier over zijn project 'Manuscripten, missionarissen en het Min'.

- Vertel iets over uzelf, hoe bent u tot dit onderzoekproject gekomen?
"Tijdens mijn studie Sinologie in Leiden heb ik een fascinatie voor de diversiteit van de Chinese taalwereld ontwikkeld. Ik vind vooral dingen interessant die van de zogenaamde standaardtaal afwijken. Na mijn studie kwam ik in Taiwan terecht, waar de meeste mensen naast de standaardtaal - het Mandarijn - een streektaal spreken, het Zuid-Min. Het leek mij voor de hand liggend om een poging te doen om die taal te leren. Maar dat was helemaal niet makkelijk, want een streektaal is eigenlijk volgens de algemene opvatting niet iets wat je formeel kan leren. In Taiwan spreekt de meerderheid van de bevolking het Zuid-Min, maar heel veel mensen vinden dat het maar een dialect is en dus niet zo deftig als het Mandarijn. Via een vriend kreeg ik uiteindelijk het adres van een missieschool in Taipei waar aankomende missionarissen onderwijs in het Zuid-Min krijgen. Hoewel ik zelf geen missionaris ben, was ik daar welkom. Zo begon het eigenlijk. Na vier jaar in Taiwan heb ik in Leiden een proefschrift over de schrifttradities van het Zuid-Min geschreven.
Tijdens een congres vertelde een Franse sinoloog mij dat hij ooit een oude manuscriptgrammatica van het Zuid-Min had gevonden. Hij stuurde mij een kopie van dit fascinerend document. Het was duidelijk dat over die grammatica en andere soortgelijke documenten nog maar wenig bekend was.
Aangezien ik nog niet klaar was met mijn proefschrift moest dit onderwerp nog even wachten."

- Waar gaat het onderzoeksplan over? Welke vraag staat centraal?
"Het project gaat dus over de oudste beschrijvingen van het Zuid-Min, een Chinese streektaal, die tegenwoording door zo'n 45 miljoen mensen in China, Taiwan en een aantal Zuidoost-Aziatische landen gesproken wordt.
Er staan een aantal vragen centraal. Vooral wil ik een duidelijk beeld schetsen hoe een Zuid-Min dialect er zo'n drie- of vierhonderd jaar geleden uitzag. Hoe zat het klanksysteem in elkaar? Welke woorden kamen erin voor? Wat voor zinsconstructies gebruikte men toen? Om daarachter te komen, moet ik uiteraard naar de oudste beschrijvingen van een Zuid-Min dialect kijken. Dat zijn manuscripten (woordenboeken en grammatica's) die in de zeventiende en achtiende eeuw door Spaanse en Italiaanse missionarissen geschreven zijn. Behalve de net genoemde grammatica heb ik ondertussen kopieën van een paar soortgelijke documenten kunnen verzamelen. Deze bronnen geven al een duidelijk beeld, maar leveren ook weer veel nieuwe vragen op. Door wie zijn ze geschreven? En wanneer zijn ze precies geschreven? Welke dialecten zijn daarin opgetekend?"

- Wat zijn de boeiendste kanten van het project?
"Een boeiende kant is zeker dat de antwoorden op mijn vragen in heel diverse bronnen te vinden zijn. Aan de ene kant heb je de manuscripten die op zich al een fascinerend onderzoeksobject zijn. Om meer over de historische context van de manscripten te weten, moet je literatuur over de geschiedenis van het Europese missiewerk in Zuidoost Azië raadplegen.
Maar dat zou nog te beperkt zijn, want dan heb je nog niet voldoende informatie over die mensen wiens taal in de bronnen werd opgetekend. Dat waren dus Chinezen die in de zeventiende en achtiende eeuw in de Fillipijnse hoofdstad Manila leefden. Hoe kwamen die daar terecht?
Informatie daarover vind je in Chinese bronnen. Ik zal dus informatie uit heel verschillende bronnen bijeenbrengen - hopend dat daaruit een coherent beeld ontstaat. Verder vind ik fascinerend dat het uitgangspunt van mijn onderzoek - de woordenboeken en grammatica's - in twee heel verschillende contexten te analyseren zijn. Aan de ene kant zijn de manuscripten bronnen over het Zuid-Min, aan de andere kant zijn ze getuigenis hoe men een paar honderd jaar geleden onderzoek naar Chinese talen deed. Het gaat dus ook om de geschiedenis van de onderzoeksdiscipline Chinese taalkunde."

- Welk resultaat hoopt u te behalen?
"Ten eerste hoop ik door de bril van de manuscripten een taalkundige beschrijving van een historisch Zuid-Min dialect te kunnen geven. Ten tweede hoop ik de bijdragen van de missionarissen in de historische context van onderzoek naar Chinese talen te kunnen plaatsen. Tot nu toe heeft men zich vooral bezig gehouden met de geschiedenis van het onderzoek naar de talen van de elite, dus het Mandarijn en de klassieke schrijftaal, het wenyan. Daardoor ontstaat de indruk dat de linguïstieke diversiteit van Chinees pas vrij laat waargenomen werd. Dat klopt natuurlijk niet. Westerse missionarissen hebben al heel vroeg en intensief de Chinese dialecten beschreven. Ik hoop door mijn project dit scheve beeld recht te kunnen trekken."

                                    
 
   
vorige pagina top pagina