Universiteit Leiden
  home   contact      
 
 
 
Archief
   

Archief > Forum 6/05 > Reportages

Reportage

"Kranten kúnnen verdwijnen"

Symposium 'Nieuwe journalistiek in nieuwe media'

Panta rhei. Alles stroomt, alles is in beweging. En als er iets snel verandert, dan s het wel in de digitale wereld. Voor de praktijkstudie JNM (Journalistiek & Nieuwe Media) dus hoog tijd voor een uitgebreid symposium hierover. NWO-onderzoek naar usability en webkranten in de praktijk. De nieuwskraker van de Volkskrant als heuse primeur van de dag, experts zijn cursed en "het publiek surft, zuigt leeg."

Door Bart de Haas

Digitaal of niet

Op donderdag 27 oktober 2005 vond in Leiden het symposium 'Nieuwe journalistiek voor nieuwe media' plaats. In zijn op klassieke retorica gebaseerde openingswoord haalde Jaap de Jong, coördinator van de Praktijkstudie JNM, de woorden van Volkskrant-hoofdredacteur Broertjes aan: "De krant zal multimediaal zijn of hij zal niet zijn."

Destijds riep Broertjes hiermee onder zijn redacteuren reeds de nodige weerstand op en ook hier, in zaal 011 van het Lipsius, was niet iedereen het hier mee eens. Ondanks de diverse aanwezige 'bloggers' waren de meeste mensen immers nog 'gewoon' geabonneerd op een vaste, dure, papieren krant. De toon was gezet.

Rob PunselieAfstandsbediening

Dagvoorzitter Rob Punselie opende de reeks lezingen, die in totaal uit acht lezingen zou bestaan. Het eerste deel hiervan had vooral betrekking op de kwaliteit van websites en hoe deze te testen. De webbezoeker is immers de baas. "Het publiek heeft een afstandsbediening," zei hij, "het surft, het zuigt leeg." Vandaar misschien ook dat hij maar liefst 63 Powerpoint-slides had die hij er in een razend tempo doorheen jaste. "Jullie waarschuwen me toch wel als het te lang duurt?"

Kort, maar precies, legde hij uit hoe websites volgens hem het beste getest konden worden. Aan de hand van diverse voorbeelden schetste hij een beeld van een 'vrije sessie' waarbij je door dóór te vragen (een 'interventie') zoveel mogelijk knelpunten en de ernst ervan kon onderscheiden. Zo zagen we een filmpje van een meisje dat naar haar favoriete televisieprogramma, Friends, zocht. 'Friends', noch 'Veronica' of 'Yorin', leverde echter een treffers op in het zoekprogramma.

De webtestparadox

"Elke bezoeker denkt dan altijd eerst dat het aan hemzelf ligt.", zei Punselie. Maar niet alleen een zoekprobleem zoals dat bij dat meisje is belangrijk. Ook stem, intonatie ("Moet ik dat híér vinden?") en diepe zuchten duiden op een knelpunt. Een website grondig testen was volgens hem dan ook uiterst belangrijk. "Het probleem is echter de webtestparadox: als het product af is, wil je het dan nog wel testen? En als het nog niet af is, kun je het dan wel al testen?"

Tot slot toonde hij de zaal het nieuwste hulpprogramma bij het testen van websites: Morae. Dit programma heeft onder meer de mogelijkheid dat je ook de proefpersoon kunt zien zitten. Zo zijn er proefpersonen die op een site niet kunnen vinden wat ze willen, maar toch achteraf zeggen dat ze de site "redelijk duidelijk" vinden. Of  waarbij de toon heel neutraal blijft, maar een opgetrokken wenkbrauw iets heel anders verraadt.

Ben VroomProducten en beleid

Na hem spraken, voor de eerste pauze nog, Ben Vroom (van Ben Vroom Usability) en Peter Wiegman (van de STIR, de Stichting Internet Reclame). Voor Vroom was een programma als Morae niet eens nodig voor een goede test. "Een rustige ruimte met een computer en wat stoelen is genoeg." Vervolgens liet hij de zaal een foto van zijn buurmeisje zien, genomen bij de Leidse burcht. "Iedereen ziet zo'n foto anders. Dat is nu juist ook het probleem, dat de webmaster iets heel anders ziet dan de gebruiker. En het verschil zit in het hoofd, niet in de foto of in het scherm, want die blijven gewoon hetzelfde."

De makers van de site zijn met hun eigen ontwerpen vertrouwd, zij zien de knoppen en kunnen die ook blindelings vinden. De gebruiker daarentegen willen geen mooie animaties; voor hen telt het alleen maar dat ze zo snel mogelijk aan de juiste informatie kunnen komen. En graag in duidelijke taal. Als voorbeeld haalde hij diverse overheidssites aan. "Denk je dat gebruikers een informatieavond als een 'product' zien?"

Zo vroeg Vroom ook eens aan een medewerker van de Gemeente Delft of hij echt dacht dat de mensen voor vergunningsaanvragen onder 'beleid' zouden gaan zoeken. Het antwoord: "Nee, eigenlijk niet."

Zonnebrillen af

Waar Vroom vervolgens zijn testmethode uitlegde, die soms zo goed liep dat hij nog doorging in de tram, liet Wiegman zien hoe zijn MediaLoket van de STIR poogde om het aantal internetadvertenties te verhogen. In tegenstelling tot Vroom, die aan een handvol testpersonen genoeg had, maakte de STIR hierbij gebruik van vierduizend webbezoekers, een getal dat nog moest uitgroeien tot maar liefst achtduizend om grotere representativiteit te verkrijgen voor de maar liefst ruim 9,5 miljoen gebruikers van 13+.Menno de Jong

De twee lezingen na de koffiepauze sloten beter aan bij het eerdere onderwerp. Menno de Jong en Marieke Kuijer (beiden van de Universiteit Twente) en Leo Lentz en Sanne Elling (van de Universiteit Utrecht) vertelden de zaal wat ze met NWO-geld de komende vijf jaar wilden gaan onderzoeken en wat hun hypotheses en onderzoeksmethoden waren. Zo had De Jong het over de 'curse of expertise', de vloek die rustte op experts die te ingewerkt waren en zich daardoor niet goed konden inleven in het publiek.

Marieke en Sanne waren degenen die het onderzoek als aio's zouden gaan doen. Zij legden de methoden uit die ze wilden gaan onderzoeken. Het leek erop alsof alle methoden die ze noemden hun nadelen hadden en ik vroeg me af wat dit onderzoek nog zou toevoegen aan de methoden van Vroom en Punselie, die hun waarde in de praktijk reeds bewezen hadden.

Leo Lentz liet ten slotte opnieuw Morae zien en een voorbeeld van een programma waarmee je de oogbeweging van een proefpersoon op je scherm kon volgen. "Alle vormen zijn nuttig, maar toch te beperkt. Voorkom dus een tunnelvisie," sprak hij, "zet die zonnebrillen af!"

Ban de banners?

Na de lunch verwoordde Rob Punselie de vraag die bij velen op de lippen lag: "Waar blijft de journalistiek?" Ook Elja Polak (van Kobalt Interactive, het grootste online mediabureau) bracht nog niet de journalistiek waar men op hoopte en ook hier dreigde in het begin de sfeer van een technisch reclamepraatje te ontstaan, maar dat nam niet weg dat zijn presentatie veel nieuws bevatte. Zoals de geschiedenis van reclame op het web. De eerste banner werd in 1994 door AT&T geplaatst op www.wired.com. Maar liefst 9,9% van de mensen klikte erop, cijfers waar men volgens Polak nu een moord voor zou doen.

Virale campagnes (de digitale mond-tot-mondreclame; de reclame van twee oudjes die in slang praatten werd duizenden malen gedownload en doorgestuurd) en productplacement (bijvoorbeeld Dreft in het computerspel The Sims) werkten volgens hem het beste. "Het meest irritante blijkt aan het eind vaak nog het beste te werken. Dat is ook de reden dat pop-ups nog altijd bestaan." Beter dan banners werkte echter een hoge vindplaats bij Google. Zijn advies was te mikken op (of te betalen voor de nog net betaalbare) positie 2. "En houd altijd het logo in beeld!"

Een vrouw uit de zaal merkte terecht op dat er te veel reclames ongepast zijn. "Ik las eens een bericht over honderden Indonesiërs die levend verbrand waren. En daaronder kwam er een vrolijk zwaaiend reclameautootje voorbij." Polak meende echter dat iets dergelijks alleen voorkomen kon worden door niet op een nieuwssite te adverteren.

Een ander geluid uit de zaal kwam van iemand die zei dat iedereen zulke reclames alleen maar irritant vond. Polak antwoordde dat dit soort mensen niet de doelgroep was, dat je wel nee moest kunnen zeggen. "Die mensen willen we toch niet. Kobalt stimuleert ad-blockers. Sterker nog," en daar kwam de aap uit de mouw, "die hebben we zelf op ons werk ook geïnstalleerd."

Vrije seks

Hierna was het de beurt aan Henk Blanken (van het Dagblad van het Noorden). Oorspronkelijk zou er na de pauze ook nog een lezing van Mark Deuze zijn, maar omdat er zelfs door dit digitale gezelschap geen verbinding kon worden gelegd met de Amerikaanse Indiana University, verviel deze. Blanken kreeg nu een half uur extra om daarin ook Deuzes ideeën te verwoorden.

Met Blanken was het dan ook eindelijk tijd voor de journalistiek. Eerst liet hij een filmpje zien waarin een scenario werd geschetst over het jaar 2014. In dat jaar zou Epic de wereld veroveren en zou de New York Times zich uit protest van het net terugtrekken. Naast de talloze online-kranten passeerden ook enkele rake anekdotes en gewaagde stellingen de revue. "Zoals Woodstock dat voor de sixties was, zo is hotmail de vrije seks van de jaren '90." Of: "In Nederland wisselt men vaker van partner dan van krant."

Volgens hem begon de mediarevolutie met de komst van Teletekst. Sindsdien is alles, vooral ook dankzij de invoering van het internet, veel sneller gegaan en brengen kranten eigenlijk voortdurend oud nieuws. "Ik weet natuurlijk niet of het zo is, maar ik sluit niet uit dat de terroristen op 11 september expres vijftien minuten hebben gewacht tot iedereen thuis voor de buis zat, zodat men live het tweede vliegtuigje het gebouw in kon zien vliegen."

Blanken haalde vervolgens een onderzoek aan waaruit bleek dat als je iets voor je 23e nog niet gedaan had, dat je het vaak ook niet meer ging doen. "Dit geldt niet alleen voor het eten van sushi of het nemen van een navelpiercing, maar ook voor het lezen van een echte krant. We moeten inzien dat kranten kùnnen verdwijnen. Vaak nemen we de weblogs door hun rare namen (als 'geenstijl' of 'volkomenkut') niet voldoende serieus, terwijl ruzie en passie juist de bronnen van succes zijn." Toch was er wel hoop: jongeren zouden volgens een onderzoek van een Amsterdamse communicatiewetenschapper nog het verschil tussen echte en nepjournalistiek zien.

Primeur: de Nieuwskraker

Kranten moesten zich aanpassen, was de boodschap, en niet alleen online. Anders gaan ze de aansluiting met de toekomstige lezers verliezen. Een goed voorbeeld hiervan is misschien de Nieuwskraker van de Volkskrant, die geïntroduceerd werd na de pauze. Deze kun je als MSN-buddy installeren en zo word je regelmatig op de hoogte gehouden van het laatste nieuws.

Naast deze introductie was er een uitgebreide Forum-discussie onder leiding van Peter Olsthoorn en een panel van drie wijze heren en een vrijwilligster uit de zaal. Aan de ene kant vond men dat de weblogs de kranten juist aanvulden en verbeterden, terwijl anderen juist meenden dat een krant van alle nieuwe media toch de meest geloofwaardige bron was. "Door Jack Spijkerman zijn er nu studenten die denken dat Plato de democratie heeft uitgevonden."

Tot slot was er nog een borrel. Hoewel vrijwel elke lezing minstens tien minuten uitliep en de tijd voortdurend ingehaald moest worden in de pauzes, en tot overmaat van ramp ook de airco niet werkte door de verbouwing, waren organisatoren Rob Punselie en Tim Verplancke tevreden. Punselie: "Het enige jammere was dat ik als organisator de verschillende verbanden wel zag, maar dat ze niet allemaal even duidelijk uit de lezingen naar voren kwamen."

Ik denk echter dat het symposium ook zonder deze verbanden genoeg stof tot nadenken heeft gegeven, en ik ben benieuwd of er ooit een tijd komt waarin men werkelijk kan zeggen dat men het internet 'uit heeft.'

V.l.n.r: Rachelle Conradie, Peter Verweij, Leon de Wolff en Robert Jan de Heer

Foto's: Frankwatching.com
                                    
 
   
vorige pagina top pagina