Universiteit Leiden
  home   contact      
 
 
 
Archief
   

Archief > Forum 5/05

Onderzoek

Het onderzoek van ...

In de faculteit wordt veel onderzoek verricht. In de rubriek Het onderzoek van. vertelt telkens een promovendus of andere researcher over de grandeur en misère van het onderzoek doen. Deze maand vertelt Alicia Schrikker over haar promotieonderzoek naar het koloniale bestuur in Ceylon (1780 - 1820) (TANAP)

Vertel iets over uzelf, hoe bent u tot dit onderzoeksproject gekomen?

Van 1996 tot 2001 heb ik Geschiedenis gestudeerd in Leiden. Al in een vroeg stadium heb ik gekozen voor de richting 'Europese Expansie'. Binnen deze specialisatie heb ik zowel in Leiden als in Edinburgh (op Erasmusuitwisseling) vakken gevolgd over zeer uiteenlopende onderwerpen, van slavernij tot dekolonisatie. Uiteindelijk kwam ik om redelijk pragmatische redenen op een Sri Lankaans scriptieonderwerp terecht (een oorlog tussen de VOC en de koning van Kandy in de jaren 1760 tot 1766): ik wilde graag mijn onderzoek uitvoeren in het buitenland en dan het liefst op een exotische plek en het archief in Sri Lanka waar nog meters VOC-materiaal te vinden is, was goed toegankelijk.

In Sri Lanka ontdekte ik twee dingen, namelijk dat ik archiefonderzoek erg leuk vond om te doen en dat de literatuur over de ontwikkelingen op het eiland in de tweede helft van de achttiende eeuw erg gebrekkig en verouderd was. Net na mijn afstuderen bleek dat er een aio-plaats vrijkwam in TANAP, een project dat zich specifiek richt op onderzoek naar Aziatische geschiedenis met behulp van VOC-bronnenmateriaal. Daar heb ik toen meteen op gesolliciteerd.

Alicia Schrikker tijdens een bezoek aan het eilandje Onrust (scheepswerf in VOC- tijd, later quarantaine hospitaal) voor de kust van Jakarta in het kader van het TANAP-congres op Java (januari 2005)
       

Kunt u vertellen waar het onderzoeksplan overgaat? Welke vraag staat centraal?

In mijn onderzoek analyseer ik het koloniale bestuur in Ceylon in de periode tussen ca. 1780 en 1820. In deze jaren kwam het bewind over de kustgebieden van het eiland van Nederlandse in Engelse handen terecht. De werktitel van het project is: 'A colonial administration in transition: policy, theory and practice of Dutch and British colonial rule in maritime Ceylon, 1780-1820'.

In het onderzoek staat de vraag naar continuïteit en discontinuïteit in het bestuur centraal. Ik bekijk deze vraag vanuit drie invalshoeken. In de eerste plaats bestudeer ik de relatie tussen de koning van Kandy (een koninkrijk in het midden van het eiland dat lange tijd niet onder het koloniale bewind viel) en respectievelijk het Nederlandse en Engelse koloniale bewind. Ten tweede probeer ik de visie van de Nederlanders en Engelsen op hun eigen aanwezigheid en de territoriale macht op het eiland door te lichten. Tenslotte analyseer ik de organisatie van het bestuur en de verhouding van de twee Europese machten tot enerzijds de lokale inheemse bestuurselite en anderzijds de Euraziatische bevolkingsgroep in de kuststreek van Ceylon. Met deze aanpak hoop ik mij aan de traditionele Eurocentrische benadering en periodisering van de Sri Lankaanse geschiedenis te onttrekken en zo een nieuw perspectief op de ontwikkeling aan het eind van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw te bieden.

Ik probeer in mijn onderzoek aansluiting te vinden op huidige Sri Lankaanse historiografische debatten, die zich voor een groot deel richten op de vorming van kastes en elites en de ontwikkeling van etnisch bewustzijn in de koloniale tijd. Daarnaast plaats ik het onderzoek in de meer algemene wetenschappelijke discussies over de aard van het kolonialisme in deze periode en de manier waarop dat kolonialisme is gevormd door lokale ontwikkelingen op Ceylon enerzijds en het beleid en intellectueel gedachtengoed in de Europese moederlanden anderzijds.

Wat zijn de boeiendste kanten van het project?

De archieven die de Nederlandse en Engelse regeringen hebben achtergelaten vormen de basis van mijn onderzoek. Het gaat daarbij om de brieven en verslagen die naar Nederland en Engeland gestuurd werden en de administratie op Ceylon zelf. Het was een uitdaging om een duidelijk overzicht te krijgen van al het materiaal en daaruit een goede en verantwoorde selectie te maken. Ik ben daarom ter voorbereiding eerst korte periodes in de archieven in Londen en Colombo geweest. Vervolgens heb ik tijdens enkele verblijven van een paar maanden het grote verzamelwerk uitgevoerd in beide instellingen. Dat is mij uitstekend bevallen en maakte het onderzoek ook afwisselend.

Tijdens het langere verblijf in Sri Lanka (2004) heb ik veel spannende en nuttige informatie uit de archieven gehaald, maar daarnaast heb ik veel geleerd over de huidige Sri Lankaanse samenleving en de lokale leefomstandigheden. Natuurlijk is Sri Lanka niet meer hetzelfde eiland is als tweehonderd jaar geleden, maar zaken als geografische en klimatologische omstandigheden zijn toch erg weinig veranderd. Het is uiteindelijk leuker en makkelijker om over het eiland te schrijven als je er een beeld bij hebt.

    
Engelse document uit 1798. Verslag van een onderzoekscommissie naar de belastinginkomsten van de Nederlanders op Ceylon en de organistatie van het binnenlands bestuur.

Hoe langer ik bezig was met het bronnenonderzoek, hoe beter ik de mensen achter de bronnen heb leren kennen. Dat is erg leuk, en ook heel inzichtelijk, omdat ik daardoor ook beter kan begrijpen hoe de bronnen tot stand zijn gekomen, wat de onderlinge verhoudingen tussen de hoofdpersonen van mijn onderzoek zijn en hoe het bestuur op Ceylon in de dagelijkse praktijk verliep. Ik moest er echter soms voor oppassen dat ik me daarin niet te veel liet meeslepen. Ik heb ondertussen wel een zwak ontwikkeld voor de romantische Sir Alexander Johnstone, die als rechterhand van gouverneur Thomas Maitland (1806-1811) het eiland rondreist om te bekijken wat de meest rechtvaardige en toch winstgevende wijze van bestuur zou zijn. Een heel andere persoonlijkheid was de duistere Pieter Sluijsken, die gedurende zijn hele carrière ruzie maakte met de meeste van zijn collega's en vele geschriften heeft achter gelaten waar de woede en afgunst van afdruipt. De mahamodliaar (hoogste inlandse ambtenaar) Nicolaas Abeyasinghe was een ander markant figuur, erg bedreven in het manipuleren van de Nederlandse ambtenaren. Hij wist zich uiteindelijk als rechterhand van de gouverneur Willem Jacob Van de Graaff (1785-1794) op te werken tot een van de machtigste mannen van het eiland.

Welk resultaat hoopt u te behalen?

Ten eerste hoop ik natuurlijk deze deels onbekende periode in de Sri Lankaanse geschiedenis op de kaart zetten en anderen te stimuleren tot nieuw onderzoek. Ten tweede wil ik gewoon een goed, leuk en leesbaar proefschrift schrijven.

Hoe bevalt het AIO bestaan op deze universiteit?

Leuk, al moest ik in het begin wel even wennen. Het klinkt misschien een beetje raar, maar ik zag mezelf eigenlijk niet als wetenschapper en was bang dat mijn collega's dat ook vonden. Ik heb het geluk dat ik binnen een groot onderzoeksproject werk (TANAP heeft nu meer dan 20 promovendi, voornamelijk uit Azië) en daardoor ben ik vanaf het begin al omringd door collega's die met vergelijkbare onderwerpen bezig zijn. Het is bovendien een erg leuke en gevarieerde groep en ik kan met iedereen goed opschieten. Wat dat betreft heb ik het ook wel getroffen. TANAP valt overigens onder het CNWS en hoewel ik daar als historicus eigenlijk een buitenbeentje ben, voel ik me daar prima thuis!

 Meer over TANAP onderzoek: www.TANAP.net

 Meer over mijn onderzoek: lees verder

    
Toegangspoort van het fort Calpentijn (Kalpitiya), op het schiereiland ten noorden van Colombo. Het fort fungeert nu als marinebasis van de Sri Lankaanse regering.
 

 

 
   
vorige pagina top pagina