Universiteit Leiden
  home   contact      
 
 
 
Archief
   

Archief > Forum 5/05 > Onderzoek

Onderzoek

Leids contractonderzoek naar speeches van ministers OCW en BZK

"Het mag korter, coherenter en meer op het publiek gericht." Deze conclusies presenteerde een Leidse onderzoeksgroep van de opleiding Nederlandse taal en cultuur onlangs aan de speechschrijvers en woordvoerders van het ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijkrelaties. Een voorbeeld van contractonderzoek in de praktijk van de moderne retorica.

door Jaap de Jong

Het speechonderzoek begon bij Onderwijs Cultuur en Wetenschappen. Tijdens de afronding van mijn promotieonderzoek naar de inleiding van toespraken (zie www.deEersteMinuten.nl) kreeg ik de opdracht van dit ministerie om de speeches van onze minister van Onderwijs en staatssecretarissen van Cultuur en Wetenschappen te analyseren. Er is de bewindspersonen natuurlijk veel aan gelegen om draagvlak voor hun beleid te verwerven. Deze departementale speeches kunnen ook van publicitair belang zijn. Daarom leek het het ministerie nuttig om de effectiviteit van  de speeches - geschreven door de speechschrijvers, uitgesproken door de bewindspersonen - nader te onderzoeken.

Soundbites van Van der Hoeven

Samen met Dr. Bas Andeweg, onderzoeker van de Technische Universiteit Delft en vijf afstudeerders Taalbeheersing van de Opleiding Nederlandse taal en cultuur heb ik een jaar lang diverse onderzoeksprojecten uitgevoerd. We zijn van een zorgvuldige selectie speeches uit 2003 en 2004 nagegaan welk deel van de aangeleverde spreektekst feitelijk werd uitgesproken en wat de sprekers er soms improviserenderwijs aan toevoegden. Zo bleek o.a. dat de minister meer improviseerde dan de staatssecretaris Cultuur die zich meer aan de tekst hield. Ook de presentatiekwaliteit is geanalyseerd, op basis van de ter plekke gemaakte videobanden. Stereotiepe gebaren al dan niet met de bril in de hand, oogcontact met de zaal, stemkwaliteit, zinsmelodie - weinig bleef onbesproken in dit actio-onderzoek. Vervolgens is de ontvangst van de speeches in de zaal onderzocht. Met een legertje studenten streken we hiervoor neer in de zaal om alle luisteraars direct na de speech een enquête te laten invullen. Bovendien hebben we geprobeerd zo veel mogelijk aanwezigen te interviewen om hun oordeel en vooral  hun toelichting daarop van de toespraak en de presentatie vast te leggen. De week daarna hebben we de media bijgehouden om een beeld te krijgen van de ontvangst van de speech op tv en vooral in de kranten.

Het hart van het onderzoek vormde de uitvoerige retorische analyses die we maakten van alle afzonderlijke speeches. We beoordeelden op basis van de tekst wat de boodschap ervan was en hoe de diverse taal- en stijlmiddelen waren ingezet om die over het voetlicht te krijgen. Al deze beoordelingen zetten we ten slotte af tegen de verwachtingen van de speechschrijvers die we per speech hadden vastgelegd, voordat die werd uitgesproken: verwachtingen met betrekking tot  de boodschap, de doelstellingen en de mogelijke soundbites, die de media zouden halen.

Retoricacursus voor schrijvers

Het onderzoek leverde veel boeiende conclusies op die we niet alleen aan de OCW-speechschrijvers en voorlichters hebben gepresenteerd, maar ook - in verschillende sessies - aan de bewindspersonen. Die bleken open te staan voor de conclusies, wat leidde tot nieuwe onderzoeksopdrachten. Zo is er een speechevaluatie-instrument (SEIN) ontwikkeld, een aparte checklist waarmee van alle speeches telkens dezelfde punten worden beoordeeld en vastgelegd, zodat de communicatie-afdeling beter en objectiever vast kan stellen hoe de speeches worden gewaardeerd. Deze gegevens kunnen het overleg tussen de speechschrijvers, woordvoerder en de drukbezette sprekers een waardevolle feitenbasis bieden.

Een tweede project is de cursus klassieke en moderne retorica voor de OCW-speechschrijvers geweest, die ik afgelopen jaar heb mogen verzorgen. Zeer boeiend onderwijs voor deze vijf professionele en gemotiveerde schrijvers, die bijna dagelijks een tekst voor het ministerie schrijven. Aan de orde kwamen (daarmee de aanbevelingen van het rapport volgend): schrijven van effectieve inleidingen en afsluitingen, structureren zonder al te didactisch en saai te worden, subtiel complimenteren, humor in de speech, soundbites en argumentatie (waar het toen soms aan ontbrak in de speeches).

Retorica bij BZK

Na deze projecten meldde najaar 2004 het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie zich met het verzoek om de speechteksten geschreven voor de beide ministers te onderzoeken. Dat leidde tot het samenstellen van een nieuwe onderzoeksgroep - opnieuw met de TU Delft, maar nu met drie nieuwe afstudeersters, die eveneens betaald een doctoraalscriptie konden schrijven. Het resultaat van de zestien speechanalyses, een rapport van 100 bladzijden met ruim 300 bladzijden bijlagen, werd onlangs in Den Haag gepresenteerd. De speeches van BZK mogen korter, coherenter en meer op het publiek gericht zijn, waren enkele van de conclusies. De teksten bevatten weliswaar fraaie beelden en anekdotes, geschreven in goedlopende alinea's met een sterk ritme, maar bepaalde stukken leken regelrecht uit een beleidsdossier geknipt. Lange zinnen, passief taalgebruik, naamwoordstijl, standpunten zonder argumenten, kortom: teksten die niet in alle opzichten een genoegen voor de luisteraars vormden.

Deze week begint er weer een doctoraalcollege Retorische analyse van speeches, gericht op een nieuwe generatie studenten Nederlands die wellicht in het kader van een nieuw derdegeldstroomproject kunnen afstuderen. Eind september worden de resultaten met de vakgenoten gedeeld op een internationaal wetenschappelijk symposium.

De klassieke retorica, die in Leiden nog onderwezen en onderzocht wordt, blijkt voor de moderne speechpraktijk nog niets aan zeggingskracht en waarde ingeboet te hebben.

      
Erik den Hoedt, hoofd Directie Communicatie en Informatie van BZK, ontvangt het onderzoeksrapport van
Jaap de Jong.

                                    
 
   
vorige pagina top pagina