CBE journaal
nummer 2-2014
 
Het tweede CBE journaal
Dit is de tweede editie van het journaal van het College van Beroep voor de Examens (CBE) van de Universiteit Leiden.

Dit journaal is gericht aan de examen- en toelatingscommissies van de Universiteit Leiden, medewerkers die direct of indirect betrokken zijn bij het CBE en aan de CBE’s van andere universiteiten.

Redactie: Daniel Mandel, Marlies de Boer, Annet van Ingen Scholten, Willem de Wit, Joop Boon en Anna Vuijk


College van Beroep voor de examens
Iedere universiteit heeft een College van Beroep voor de Examens op grond van art. 7.61 Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek (WHW)waarbij studenten in beroep kunnen gaan. Dit College is een onafhankelijk beroepscollege.

Als een student het niet eens is met een beslissing van de examencommissie over tentamens en examens, een bindend negatief studieadvies of de toelating tot een (master)opleiding, kan hij/zij tegen die beslissing beroep instellen bij het College van Beroep voor de Examens. De student dient dan een beroepschrift te schrijven.


Negatief advies met daaraan verbonden een afwijzing – betekenis aangepast studieplan
 Uitspraak 14-203

Appellant heeft gedurende twee opeenvolgende jaren door familieomstandigheden hinder ondervonden bij het verrichten van studieprestaties. Hiervoor is een zogenaamde hinderverklaring afgegeven door Studenten- en Onderwijszaken (hierna: SOZ) zoals in de Regeling Bindend Studieadvies en de bijbehorende Procedure persoonlijke omstandigheden in het kader van het bindend studieadvies (hierna: de Regeling) is voorgeschreven. In het eerste jaar behaalde appellant een aantal studiepunten en werd het tekort aan studiepunten, gelet op de afgegeven hinderverklaring, verschoonbaar geacht. Er werd geen aangepast studieplan opgesteld.

In het volgende jaar werd appellant door dezelfde familieomstandigheden achtervolgd. Opnieuw werd een hinderverklaring afgegeven. Deze verklaring had betrekking op eenzelfde mate van hinder. Appellant zag kans om, ondanks de ondervonden hinder, nog een extra onderwijseenheid te behalen. Verweerder was echter van mening dat appellant niet voldoende studiepunten had behaald, gelet op de mate van hinder zoals vastgesteld door SOZ.
Het CBE constateerde dat appellant haar best had gedaan meer studiepunten te behalen dan het jaar daarvoor. Dat dit niettemin in de ogen van verweerder onvoldoende was om een negatief advies met daaraan verbonden een afwijzing te ontlopen, kan appellant niet worden tegengeworpen nu er geen aangepast studieplan was opgesteld.

Appellant had door het ontbreken van een aangepast studieplan onvoldoende informatie om te weten aan welke (aangepaste) norm zij diende te voldoen.

Uitspraak: beroep gegrond


Negatief advies met daaraan verbonden een afwijzing - belang van de 'hinderverklaring'
 Uitspraak 14-163

Appellant ondervindt door persoonlijke omstandigheden hinder bij zijn studie. Hij heeft regelmatig contact met de studiecoördinator. Deze heeft hem gewezen op de mogelijkheid via SOZ hinder te laten vaststellen. Het is appellant duidelijk dat er een negatief advies, met een afwijzing op hem afkomt. Hij gaat echter in de zomervakantie reizen. Ofschoon gewaarschuwd voor een negatief BSA en geattendeerd op de mogelijkheid een hinderverklaring aan te vragen onderneemt appellant geen actie richting SOZ. De examencommissie heeft nu geen ijkpunt of, en in welke mate zij rekening dient te houden met de gestelde hinder.

In de Regeling is voorgeschreven dat de student deze omstandigheden voorlegt aan SOZ. Zij beoordelen namens het College van Bestuur of er sprake is van omstandigheden in de zin van de wet en de Regeling. Vanzelfsprekend is het geboden om zo mogelijk (een) bewijsstuk(ken) bij te voegen, bijvoorbeeld een verklaring van een arts, waaruit de ernst en de duur van de hinder blijkt. SOZ zet deze verklaring dan om in een hinderverklaring. Op deze manier hoeft de examencommissie niet zelfstandig te bepalen of, en in welke mate de gestelde omstandigheden de studie hebben beïnvloed.

Het CBE stelde vast dat zij net zo min als de examencommissie kan beoordelen of en in welke mate de gestelde omstandigheden een negatieve invloed op de studieprestaties hebben gehad. Appellant heeft verweerder, maar ook het CBE niet in de gelegenheid gesteld rekening te houden met zijn omstandigheden. Dit is een keuze die voor rekening van appellant dient te komen. 

Uitspraak: beroep ongegrond


Tip van het CBE
Als een student in het eerste jaar hinder ondervindt bij het verrichten van studieprestaties is het zaak voor het tweede jaar een aangepast studieplan op te stellen. Dit plan bevat dan een norm die haalbaar geacht moet worden, gelet op de ondervonden hinder en de in te stellen studieprioriteiten.
De student weet waar hij aan toe is.
Ook kan op deze wijze rekening gehouden worden met de aard van de hinder: is deze van voorbijgaande aard, of, zoals bijvoorbeeld bij dyslexie, structureel.
Bij de adviezen die de examencommissie ingevolge de Regeling in het tweede jaar uitbrengt wordt vervolgens rekening gehouden met dit studieplan.

Als een dergelijk studieplan ontbreekt kan het de student niet worden tegengeworpen dat indien hij meer studiepunten behaalt bij gelijkblijvende hinder hij toch niet aan de norm van de examencommissie voldoet.


Toelating Research Master
 uitspraken 14-120 en 14-133

In beide zaken wordt toelating verzocht tot een Research Master. In de Onderwijs- en ExamenRegeling (hierna: OER) worden de eisen voor toelating omschreven. Voor de Research Master geldt in de eerste plaats dat men dient te voldoen aan de inhoudelijke vereisten zoals die voor de betreffende specialisatie gelden. Verder vereist de OER dat tenminste een ‘7,5’ behaald dient te zijn voor de bachelorscriptie. Tevens dient voor de onderwijseenheden van de bachelor gemiddeld tenminste een ‘7,5’ te zijn behaald. Ook indien men zowel voor de bachelorscriptie als voor de onderwijseenheden van de bachelor tot de 20% beste studenten van zijn cohort behoort is toelating in principe mogelijk.

Appellanten hebben miskend dat het om cumulatieve eisen gaat, zodat niet kan worden volstaan met het voldoen aan een van beide eisen, te weten een ‘7,5’ voor de scriptie of gemiddeld een ‘7,5’ voor de onderwijseenheden van de behaalde bachelor.

Uitspraak: beroepen ongegrond


Extra herkansing: discretionaire bevoegdheid van examencommissie, restrictieve toepassing
 Uitspraak 14-135

Appellant heeft op één onderwijseenheid na zijn bachelor afgerond. In de OER van de betreffende opleiding is een voorziening getroffen die de Examencommissie de mogelijkheid biedt in bijzondere gevallen aan de student een extra herkansing toe te staan. In de voorziening wordt verwezen naar de Regels en Richtlijnen Tentamens en Examens (hierna: R&R). In de R&R is bepaald dat een student recht heeft op een individuele herkansing als het bachelorcurriculum (incl. scriptie) is behaald op één vak na én er geen reguliere herkansing meer is in het betreffende semester én reeds een ‘5’ is behaald voor de betreffende onderwijseenheid.

Vast staat dat appellant niet voldoet aan de cumulatieve voorwaarden voor een beroep op de zgn. ‘laatste-vak-regeling’. Ofschoon in de OER verwezen wordt naar de R&R, geeft de voorziening in de OER de examencommissie ruimte om ‘in bijzondere gevallen’ een individuele herkansing toe te staan. De formulering ziet er op dat de examencommissie terughoudend omgaat met haar bevoegdheid.

Niet gebleken is dat hetgeen appellant naar voren brengt had moeten leiden tot een ander oordeel van verweerder.

Uitspraak: beroep ongegrond

 

Herkansing van een behaalde onderwijseenheid
 uitspraak 14-79

Appellant is honours student, maar stelt door concentratieproblemen voor de betreffende onderwijseenheid slechts een ‘7’ te hebben behaald. Bij de opleiding die appellant volgt is in de R&R bepaald dat behaalde onderwijseenheden niet opnieuw mogen worden afgelegd, behoudens een zwaarwegend belang voor de student. De argumenten van appellant zijn voor verweerder onvoldoende zwaarwegend om een uitzondering op de regel te maken. Alles afwegende is het College van mening dat verweerder in redelijkheid tot dit oordeel heeft kunnen komen. Ook is niet uit te sluiten dat de gestelde problemen zich opnieuw zouden voordoen. Volgens de R&R geldt dan het laatst behaalde cijfer. Dit zou dan lager, of zelfs onvoldoende kunnen zijn.

Uitspraak: beroep ongegrond

 


CBHO
Graag vragen we tenslotte aandacht voor een mededeling in de Nieuwsbrief van het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (kortweg: CBHO, de beroepsinstantie voor appellanten die het niet eens zijn met een uitspraak van het CBE) te Den Haag.

Het CBHO wijst erop dat de WHW geen wettelijke grondslag biedt voor een bezwaarprocedure bij de examencommissie voorafgaande aan een beroep bij het CBE. Omdat er in de procedure bij het CBE uitdrukkelijk is voorzien in een poging tot minnelijke schikking waarin ruimte is voor heroverweging van de beslissing. Een ‘bezwaarprocedure’ vooraf heeft dan geen toegevoegde waarde.  De kans bestaat dat daardoor de beroepstermijn bij het CBE is verlopen op het moment dat de student beroep wil instellen.

Dit laatste deed zich al voor in 2012. Het CBHO oordeelde dat het CBE een beroep dat na afloop van de beroepstermijn wordt ingesteld alleen omdat de appellant klaarblijkelijk heeft gewacht of nog een andere beslissing wordt genomen niet-ontvankelijk dient te verklaren. Met andere woorden, als de appellant geen andere, gegronde, reden heeft waardoor het te laat indienen van het beroep verschoond moet worden, moet het CBE ambtshalve constateren dat het beroep te laat is ingediend. Het CBE dient het beroep dan niet-ontvankelijk te verklaren.

(http://www.cbho.nl/zaken/2011137cbe)

Bij ons leer je de wereld kennen