Universiteit Leiden
  home        
 
 
 
   

 

Leefwijze 'Nederlanders' steentijd wijkt af van rest Noord-Europa

De leefwijze van 'Nederlandse' kustbewoners uit de steentijd wijkt af van die van andere Noord-Europeanen. Dat concluderen Leidse archeologen op grond van de zojuist voltooide materiaal-analyses van de opgraving bij Schipluiden.

 

Een team van Leidse archeologen groef in de zomer van 2003 bij Schipluiden een complete nederzetting uit de steentijd op. Hier hebben, tussen ca. 5600 en 5300 jaar geleden, gemeenschappen geleefd met een 'gemengde economie', gebaseerd op jacht én veeteelt. In de rest van Noord-Europa kwam zo'n gemengde economie alleen voor tijdens de overgangsfase van een leefwijze van jagen en verzamelen naar het boerenbestaan. Die overgangsfase duurde nooit langer dan een of twee generaties.

 

Bij Schipluiden (een paar kilometer ten westen van Delft) heeft een team van archeologen van Archol (de archeologische BV van de Universiteit Leiden) een nederzetting uit de steentijd opgegraven. Het gaat om een laag duintje, 50 bij 150 meter in omvang en niet meer dan 2 meter hoog. Ruim honderd studenten archeologie werkten mee aan de opgraving in het kader van een stage. De fase van materiaal- en monsteranalyse is afgesloten en de resultaten worden momenteel beschreven voor het onderzoeksverslag.

 

Het onderzoek leidde tot nieuwe inzichten in belangrijke prehistorische onderwerpen: de overgang naar het boerenbestaan en de bewoning van het natte, lage westen van het land. Dat is te danken aan het feit dat de nederzetting in zijn geheel kon worden gedocumenteerd, en aan de toepassing van een hele reeks van analysemethoden. Die konden worden toegepast omdat door de natte condities allerlei organische resten bewaard waren gebleven, waaronder hout en resten van weefsel. Zo levert deze opgraving een zeer compleet beeld van de lokale gemeenschap uit een periode die enkele eeuwen voorafgaat aan de bouw van de hunebedden in Drenthe.

 

De duinbewoners hielden runderen en jaagden daarnaast op wild, met name op edelhert en wild zwijn. Zij woonden in een uitgestrekte kweldervlakte, een paar kilometer achter de toenmalige kustlijn. Het zullen die natuurlijke weidegronden zijn geweest die de locatie aantrekkelijk gemaakt hebben. Ook op andere duinen in het gebied hebben even oude woonplaatsen gelegen. Louwe Kooijmans: 'Het is opmerkelijk dat deze vroege steentijd-boeren zich juist in dit dynamische kustlandschap permanent hebben gevestigd'. Het land werd namelijk enkele malen per jaar bij uitzonderlijk hoogwater door zeewater overstroomd, waardoor de zoetwatervoorziening van mens en vee in gevaar kwam. In die situatie groef men diepe kuilen aan de rand van het duin en tapte zo de daarin aanwezige 'zoetwaterbel' af. Onder invloed van de stijgende zeespiegel veranderde het gebied tijdens de bewoning geleidelijk aan in een groot moerasland. Toch verlieten de bewoners hun eenmaal gekozen woonplaats pas na twee á drie eeuwen en bleef hun levenswijze de gehele periode vrijwel gelijk. Er werd slechts iets meer gejaagd, maar het weiden van runderen bleef belangrijk.

 

Het onderzoek geeft een nieuwe kijk op de overgang van de aloude levenswijze van jagen, vissen en verzamelen naar het boerenbestaan. De algemene opvatting is dat die in geheel Noord-Europa betrekkelijk snel was verlopen, dat wil zeggen binnen een of twee generaties. In Groot-Brittannië en Denemarken lijkt dat ook inderdaad het geval te zijn geweest: nadat boeren en jagers lange tijd naast elkaar hebben geleefd, vindt omstreeks 4000 v.Chr. een 'plotselinge' omslag plaats. Gemeenschappen met een 'gemengde economie', gebaseerd op jacht én veeteelt (zoals bij Schipluiden) zijn daar niet bekend. De gegevens uit Nederland leken niet goed in dit patroon te passen en dat wordt nu door Schipluiden voor het eerst goed onderbouwd. In Nederland en omgeving moeten we een zeer lange 'overgangsfase' aannemen, die omstreeks 4500 v.Chr. (of nog eerder) begint en mogelijk wel 1500 jaar heeft geduurd.

 

De wetenschappelijke leiding van de opgraving berust bij prof.dr. Leendert Louwe Kooijmans. Nog nooit eerder heeft hij op zo'n grote schaal kunnen graven naar de periode die hem het meeste boeit: de overgang van jagers naar boeren. De opdrachtgever van de opgraving was het Hoogheemraadschap van Delfland, dat ter plaatse een grote, nieuwe afvalwaterzuiveringsinstallatie bouwt. Archol werkte in dit project samen met een aantal andere archeologische bedrijven en instituten: de Universiteit van Groningen, BIAX en Archeobone.


Meer informatie:

Prof.dr. L.P. Louwe Kooijmans, tel. 071-527 24 47

(25 januari 2005)

 

 

     
 
   
vorige pagina top pagina